Studie Jeruzalem

In de Bijbel wordt Jeruzalem honderden keren genoemd. Ook gezien wat er over Jeruzalem wordt gezegd lijkt mij het een belangrijk onderwerp in de Bijbel.

Jeruzalem kent door de jaren heen een ontwikkeling als stad en een ontwikkeling in geestelijke betekenis.

<<Soms is de naam Jeruzalem gebruikt om de plaats aan te duiden waar dingen gebeuren. Een andere keer wordt het belang van de stad onderstreept.

Jeruzalem was eerst alleen de naam van een stad, maar het is een begrip geworden, waarvan de betekenis in de loop van de tijd is gegroeid.

Zo heeft het zich ontwikkeld.
1. Eerst alleen een stad ergens in de heuvels van Judea. Toen door koning David gekozen als hoofdstad van het koninkrijk van Israël. Hij zag dit ook als de plek waar de eerste tempel is gebouwd.
2. In de tijd van koning Hizkia kreeg de stad een grote uitbreiding naar het Westen.
3. Vervolgens is interessant hoe de stad er uit zag in de tijd van Jezus en wat er inhoudelijk over de stad werd gezegd en wat er met de stad zou gaan gebeuren en wat ook is gebeurd.
4. Tenslotte is van belang om de moderne geschiedenis van de stad te weten, vanaf 1948 tot nu toe. Het is nu weer de hoofdstad van Israël, althans, dat is wat de staat Israël bepaalt heeft. Vele landen hebben Israël als hoofdstad over Israël niet erkend.

Voor, na en tussendoor in dit rijtje van de lange geschiedenis is ook allerlei met deze stad gebeurd. Daar gaat het summier over. Vooral om het overzicht niet te verliezen. Het belangrijkste om te weten is, dat Jeruzalem bedoeld is om een stad van vrede te zijn. Een stad als huis van gebed voor alle volken.

Geschiedenis zoals die in de Bijbel is te lezen.

Vroege geschiedenis

Melchizedek uit de tijd van Abraham was koning van Salem, waarschijnlijk Jeruzalem. Een man met een enorme geestelijke allure. Genesis 14:18 en Hebreeën 7:1-2.

In de tijd van Jozua waren de Jebusieten, de inwoners van o.a. Jeruzalem, één van de zes volken, die moesten worden verdreven uit Israël.

In Jozua 10 wordt de slag van Israël tegen vijf koningen van steden waaronder Jeruzalem beschreven. De koningen met hun legers werden verslag, maar uiteindelijk konden de inwoners van ​Jeruzalem, de Jebusieten, door de ​stam​ ​Juda​ niet worden verdreven (Jozua 15:63).

De stam Benjamin veroverderde de stad in de tijd van Jozua. Maar ze bleven samen met de Jebusieten in Jeruzalem wonen. Zie Richteren 1. En zo werd het weer een stad van de Jebusieten.

De stad van koning David

Een nieuwe wending gaat zich afspelen als David tot koning wordt gekroond. Als eerste voor Judea. De hoofdstad wordt Hebron.

Toen David koning ging worden van heel Israël ging hij zoeken naar een nieuwe plaats als hoofdstad. Er waren bij hem twee overwegingen. Een politieke: het moest een plaats zijn die voor ieder van de twaalf stammen acceptabel zou zijn. Een godsdienstige: waar zou de God van Israël het meest hulp kunnen bieden. Voor die laatste heb je een plaats nodig dat je afhankelijk bent van de hulp van God. Jeruzalem is zo’n stad. Het is hoog gelegen, dus een water probleem. Het ligt aan de rand van de woestijn, gevaarlijk omdat die woestijn zomaar een stuk zou kunnen opschuiven. En het heeft bij de berg Moriah de geschiedenis van het bijna offer van Isaak door Abraham.

Figuur 1 De stad in de tijd van koning Salomo

David koos dus voor Jeruzalem. Een stad die in die tijd in handen was van de Jebusieten. En tot een moeilijk inneembare vesting was gemaakt. De stad lag tussen het Kidron dal en het centrale dal.

David kwam met zijn leger vanuit het zuiden, vanuit Hebron. De heuvel waar hij over kwam zo later de heuvel van Achitofel gaan worden. Daar waar hij slechte raad gaf aan Absolom. Het werd later daarom de heuvel van de boze raad genoemd. De plek waar nu de United Nations zijn gevestigd. Volgens de Israëliers een passende plek voor hen.

David overwon (door via de tunnel voor het water de stad in te gaan?). Het dichtst bij de berg Sion/Moria was het paleis van David, met stenen die de heuvel op gesjouwd moesten worden. De huizen lagen iets lager op de helling tussen het Kidrondal en het Centrale Dal. Het water werd opgevangen in de vijver van Siloam. De 1e tempel was klein, werd gegrondvest door David maar gebouwd door Salomo. Op de berg Moria.

De stad uit de tijd van David en zijn opvolgers is nu nog op twee plekken dicht bij elkaar te zien. “De City of David National Park” en nu ook aan de overkant van de weg een nieuwe opgraving.

De stad in de tijd van koning Hizkia

Koning David regeerde veertig jaar rond 1000 jaar voor Christus. Koning Hizkia 300 jaar later.

Figuur 2: de stad in de tijd van koning Hizkia

In de tijd van Hizkia, die alleen over het 2 stammenrijk regeerde, werd het 10 stammenrijk aangevallen door Assyriers. Ze veroverden de hoofdstad en deporteerden de inwoners.

Velen vluchtten naar Jeruzalem. Ze gingen daar wonen buiten de muren.  Om de stad en ook hen te beschermen, werd de stad ommuurd met een pakweg zes meter brede muur.

Figuur 3 Een stukje muur van koning Hizkia

Zo’n 120 jaar later, in 587 voor Christus kwamen de Babyloniers en die verwoesten de stad en deporteerden ook de bewoners. Een stuk van die muur is nu nog te zien. Het ligt in de Joodse wijk van de stad enkele honderden meters ten westen van de Klaagmuur.

Figuur 4 Een koninklijke zegel uit de tijd van Hizkia

In de City of David zijn 42 zegels gevonden met oud-Hebreeuws schrift uit de tijd van koning David en zijn opvolgers. De Babyloniërs hebben alles verbrand van het paleis van David, waardoor die zegels hard zijn gebakken.

Er is hier ook een kapiteel met een patroon zoals dat in Libanon voorkwam. Het zou van koning Hiram kunnen zijn, die aan David ook cederhout van de Libanon leverde.

De stad in de tijd van de Tweede Tempel

Gouverneur Zerubbabel  en hogepriester Jozua kwamen als eerste terug om de stad weer op te bouwen. (Zie het boek Haggai). Dat was in het jaar 538.

Ezra begon met de herbouw van de tempel in het jaar 520 tot 516 voor Christus. De 2e tempel werd op dezelfde plek gebouwd als de 1e tempel. Daarna kwam Nehemia in 445, die met de herbouw van de muren van Jeruzalem begon.

Figuur 5: de tempel in de tijd van Jezus

De latere koning Herodus vergrootte de tempel en maakte er een imposant geheel van. Met winkels en een veemarkt buiten de tempelmuren. Een brede brug leidde over die bedrijvigheid heen de tempel in. Op de tekening die gids Jaakov liet zien (zie foto) is te zien waar deze opgang aansloot. Wat nu de klaagmuur is, is gearceerd.

Jaakov liet op de zuid-west hoek van het tempelplein zien hoe groot de stenen zijn: 9 m lang, 1m dik en 1 m hoog. Ze liggen verspringend op elkaar, elke volgende laag 2 cm minder ver. Als je met je ogen dichtbij de muur omhoog kijkt, zie je hoe kaarsrecht de muur omhoog gaat. Er zijn bij de uitgang van de tunnel hefwerktuigen tentoongesteld om te laten zien hoe ze het misschien deden.

Als je door de tunnel loopt van de City of David naar onderaan het tempelplein, is er een bocht in de tunnel. Ergens is het plafond sterk gemaakt in een gewelfconstructie omdat er iets zwaars op rust: de stadsmuur.

Moriah ligt op de berg Sion. Zo formuleerde onze Israëlische gids het. De kerk heeft vanwege de weerzin tegen Israël of het Oud Testament de berg Sion op een andere plek gesitueerd. Namelijk de berg die ten Westen van de berg Sion ligt. Hoe noemt men in Israël deze berg? Dat wist de gids niet. Op kaarten staat het genoemd als de Westelijke heuvel.

Figuur 6: de stad ten tijde van Jezus

Je kunt nu nog enigszins de diepte van het centrale dal zien. Die tussen de Klaagmuur en het Westelijk deel van de stad. Wat langs de zuidmuur op een asfalt weg lijkt is als je goed kijkt een brug. De opgraving die ten zuiden van de weg is gemaakt laat nog meer de diepte zien.

Aan de zuidwest punt kun je de onderste lagen van de muur nog zien. Die stenen blokken van Herodus liggen zo’n zes meter onder het huidige niveau. De blokken liggen op de rotsachtige ondergrond van de berg.

Aan het eind van zijn leven is Jezus zeer bedroefd over deze stad. Jezus weende bij het zien van de stad. En dat is te begrijpen. Het ging van kwaad tot erger in de jaren na Jezus dood. Vooral de jaren rond het jaar 70 waren verschrikkelijk. Vele mensen werden verraden door eigen mensen en ook koelbloedig vermoord. Na de opstand van de joden in het jaar 66 namen de Romeinen de stad in en  verwoesten van Jeruzalem. De tempel werd in brand gestoken. Het enige overblijfsel van de tempel was een deel van de Westelijke muur, die nu bekendstaat als de Klaagmuur.

In het jaar 135 werd Jeruzalem door joden, onder leiding van Bar Kochba, veroverd, de Tweede Joodse Opstand. Ze maakten Jeruzalem opnieuw tot hun hoofdstad en richtten er een voorlopige tempel op. De reactie van Hadrianus bleef niet uit, hij heroverde de stad en gaf haar een andere naam, Aelia Capitolina. Op de Tempelberg werd een Romeinse tempel gebouwd ter verering van Jupiter. De Joden werd de toegang tot de stad ontzegd.

Woorden in het Oude Testament

Hieronder is het voor vier woorden uitgezocht. Alleen het Oude Testament.

Er zijn ook allerlei andere woorden voor Jeruzalem. Die krijgen ook aandacht in deze studie.

Hebreeuws woordSoort woordStrongOpmerkingen
1יְרוּשָׁלַם YĕruwshalaimLocatienaamH3389Jeruzalem.
Komt 643 keer voor in 600 verzen.
KJV: Jerusalem (643x).
2צִיּוֹן 
Tsiyown
LocatienaamH6726Sion
Komt 154 keer voor in 154 verzen.
KJV: Zion (153x), Sion (1x).
Sion
3מוֹרִיָּה MowriyahLocatienaamH4179Moria
Komt 2 keer voor in 2 verzen. Genesis 22:2 en 2 Kronieken 3:1. Moriyah betekent: gezien door Jah.
4עֹפֶל 
`Ophel
LocatienaamH6077Ofel.
Komt 5 keer voor in 5 verzen.
KJV: Ophel (5x).

Jeruzalem

Het woord komt in Jozua 10 voor het eerst voor.

In 2 Samuel 5 wordt de verovering door koning David van Jebus genoemd. Er staat niet hoe David dat deed. Er wordt wel een opmerking gemaakt hoe je de stad kan innemen. Namelijk door de water toevoer af te snijden.

Direct na de verovering staat in 2 Samuel 5:9 David​ ging in de bergvesting wonen en noemde deze de Davidsburcht. Hij liet een ​muur​ bouwen die liep van het Millobolwerk tot aan het paleis.

Psalmen 51:20. Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed, bouw de muren van Jeruzalem weer op.
Psalmen 68:30. vanuit uw tempel die boven Jeruzalem oprijst. Laten koningen U schatting brengen.
Psalmen 79:1. God, vreemde volken hebben uw land bezet, uw heilige tempel ontwijd en Jeruzalem in puin veranderd.
Psalmen 79:3. Hun bloed werd als water vergoten rond Jeruzalem – en niemand die hen begroef.
Psalmen 102:22. Dan wordt in Sion de naam van de HEER geprezen, zijn lof gezongen in Jeruzalem
Psalmen 116:19. in de voorhoven van het huis van de HEER , binnen uw muren, Jeruzalem. Halleluja!
Psalmen 122:2. En nu staan onze voeten binnen je poorten, Jeruzalem.
Psalmen 122:3. Jeruzalem, als een stad gebouwd, hecht en dicht opeen.
Psalmen 122:6. Vraag om vrede voor Jeruzalem: ‘Dat rust hebben wie van je houden,
Psalmen 125:2. Zoals de bergen Jeruzalem omringen, zo omringt de HEER zijn volk van nu tot in eeuwigheid.
Psalmen 128:5. Ontvang de zegen van de HEER uit Sion. Je zult de voorspoed van Jeruzalem aanschouwen, alle dagen van je leven.
Psalmen 135:21. Geprezen zij de HEER op de Sion, Hij die zijn woning heeft in Jeruzalem. Halleluja!
Psalmen 137:5. Als ik jou vergeet, Jeruzalem, laat dan mijn hand de snaren vergeten.
Psalmen 137:6. Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven als ik niet meer denk aan jou, als ik Jeruzalem niet stel boven alles wat mij verheugt.
Psalmen 147:2. De bouwer van Jeruzalem, dat is de HEER , Hij brengt de ballingen van Israël bijeen.
Psalmen 147:12. Prijs, Jeruzalem, prijs de HEER , loof, Sion, loof je God.

Ezechiël 4:1
Mensenkind, neem een kleitablet voor je en teken daarop een stad: Jeruzalem.
Ezechiël 4:7
Je moet je blik op het belegerde Jeruzalem gericht houden, met ontblote arm, en tegen de stad profeteren.
Ezechiël 4:16
Ook zei Hij tegen mij: ‘Mensenkind, let op! Spoedig zal Ik in Jeruzalem de broodvoorraad vernietigen. Dan zullen ze het brood dat ze eten, moeten afwegen en daarbij door zorgen worden verteerd, en het water dat ze drinken, moeten afmeten en daardoor van wanhoop worden vervuld.
Ezechiël 5:5
Dit zegt God, de HEER : Dit is Jeruzalem. Ik had het midden tussen andere landen geplaatst, het werd door andere volken omringd.
Ezechiël 5:9
Omdat je je zo gruwelijk hebt misdragen, Jeruzalem, zal Ik je zwaarder straffen dan Ik ooit met iemand heb gedaan of doen zal.
Ezechiël 5:12
Een derde deel van je inwoners, Jeruzalem, zal binnen je muren sterven door de pest en de honger, een derde deel zal daarbuiten vallen door het zwaard en een derde deel zal Ik in alle windrichtingen verstrooien en met getrokken zwaard achtervolgen.
Ezechiël 5:14
Jou, Jeruzalem, verander Ik in een ruïne, een mikpunt van spot voor de volken om je heen, te zien voor ieder die er voorbijkomt.
Ezechiël 8:3
Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afgodsbeeld staat dat de jaloezie van de HEER doet ontvlammen.
Ezechiël 9:4
De HEER zei tegen hem: ‘Maak een ronde door Jeruzalem, en zet een merkteken op het voorhoofd van iedereen die jammert en klaagt om de gruwelijke dingen die er in de stad gebeuren.’
Ezechiël 9:8
Terwijl zij moordend rondtrokken bleef ik achter, en ik wierp me voorover op de grond en schreeuwde: ‘Ach HEER , mijn God, gaat U, nu uw woede Jeruzalem treft, alle Israëlieten vernietigen die er nog zijn?’
Ezechiël 11:15
‘Mensenkind, het zijn je broeders, je eigen broeders, je verwanten en alle andere Israëlieten tegen wie de inwoners van Jeruzalem zeggen: “Blijf waar je bent, ver verwijderd van de HEER , want aan ons is het land in eigendom gegeven!”
Ezechiël 12:10
Zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER : Over de vorst in Jeruzalem gaat deze profetie en over alle Israëlieten die er wonen.”
Ezechiël 12:19
Zeg dan tegen je volksgenoten: “Dit zegt God, de HEER , over de inwoners van Jeruzalem die in Israël zijn achtergebleven: Ook zij zullen vol angst hun brood eten en in wanhoop hun water drinken, want om de gewelddaden van zijn bewoners wordt het land van zijn rijkdommen beroofd.
Ezechiël 13:16
de profeten van Israël met hun profetieën over Jeruzalem, die visioenen hadden van vrede terwijl het geen vrede zou blijven – zo spreekt God, de HEER .”
Ezechiël 14:21
Dit zegt God, de HEER : Dit alles geldt des te meer nu Ik mijn vier zwaarste straffen – het zwaard, de honger, de wilde dieren en de pest – op Jeruzalem loslaat om er mens en dier uit te roeien!
Ezechiël 14:22
Toch zullen er mensen zijn die daaraan ontkomen: er zullen zonen en dochters uit de stad worden weggevoerd en naar jullie toe komen. Wanneer jullie zien wat zij hebben gedaan, zullen jullie je kunnen verzoenen met het lot dat Jeruzalem heeft getroffen en begrijpen waarom Ik de stad heb gestraft.
Ezechiël 15:6
Daarom – dit zegt God, de HEER : Het hout van de wijnstok is niet beter dan dat van andere bomen. Het eindigt in het vuur, en zo zullen ook de inwoners van Jeruzalem eindigen.
Ezechiël 16:2
‘Mensenkind, je moet Jeruzalem haar gruwelijke gedrag voor de voeten werpen.
Ezechiël 17:12
‘Zeg tegen dit opstandige volk: “Begrijpen jullie niet wat dit verhaal betekent? De koning van Babylonië is naar Jeruzalem gekomen om de koning en de andere leiders van het land naar Babel mee te voeren.
Ezechiël 21:7
‘Mensenkind, richt je blik op Jeruzalem en klaag de heiligdommen aan, profeteer tegen het land van Israël.
Ezechiël 21:25
Langs de ene weg gaat het zwaard naar Rabba in Ammon, langs de andere naar het versterkte Jeruzalem in Juda.
Ezechiël 21:27
Rechts ligt het lot van Jeruzalem. Hij zal de stad met stormrammen aanvallen, hij zal zijn mond openen in een strijdkreet, hij zal zijn stem in krijgsgeschreeuw verheffen. Hij laat de stormrammen tegen de poorten beuken, hij maakt een bestormingsdam, hij werpt een belegeringswal op.
Ezechiël 22:19
Daarom – dit zegt God, de HEER : Omdat jullie nu niet meer dan schuim zijn, breng Ik jullie in Jeruzalem bijeen.
Ezechiël 22:21
Ik zal jullie in Jeruzalem samenbrengen, Ik zal het vuur van mijn woede over je heen blazen zodat jullie smelten.
Ezechiël 22:24
‘Mensenkind, zeg tegen Jeruzalem: “Je bent als een land dat niet is gereinigd; toen Ik je vervloekte, bleef de regen uit.
Ezechiël 23:2-4
‘Mensenkind, er waren eens twee vrouwen, dochters van dezelfde moeder. De oudste heette Ohola, haar zus Oholiba. Al toen ze jong waren, gedroegen zij zich als hoeren, in Egypte. Daar werden hun borsten betast en lieten ze zich, terwijl ze nog maagd waren, in hun tepels knijpen. Daarna werden ze de mijne, en ze baarden zonen en dochters. (Wat hun namen betreft: Ohola is Samaria en Oholiba is Jeruzalem.)
Ezechiël 24:2
‘Mensenkind, schrijf op welke dag het is, de precieze datum, want vandaag is het de dag dat de koning van Babylonië het beleg voor Jeruzalem heeft geslagen.
Ezechiël 26:2
‘Mensenkind, Tyrus heeft zich vrolijk gemaakt over Jeruzalem, zij heeft uitgeroepen: “De Poort der volken is verwoest en is mij toegevallen. Nu de stad in puin ligt, zal ik mij vullen met haar schatten!”
Ezechiël 33:21
Op de vijfde dag van de tiende maand van het twaalfde jaar van onze ballingschap kwam er een vluchteling uit Jeruzalem bij me die zei: ‘De stad is gevallen!’
Ezechiël 36:38
zo vol als Jeruzalem op hoogtijdagen is met heilige offerdieren, zo vol met mensen zullen de steden zijn die nu in puin liggen. Dan zullen ze beseffen dat Ik de HEER ben.”’
Daniël 1:1
In het derde regeringsjaar van Jojakim, de koning van Juda, trok Nebukadnessar, de koning van Babylonië, op naar Jeruzalem en belegerde de stad.
Daniël 5:2
Beneveld door de wijn gaf Belsassar opdracht de gouden en zilveren bekers tevoorschijn te halen die zijn vader Nebukadnessar uit de tempel van Jeruzalem had meegenomen, opdat de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen daaruit konden drinken.
Daniël 5:3
Men haalde de gouden bekers die uit de tempel van Jeruzalem, het huis van God, waren meegenomen en de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen dronken eruit.
Daniël 6:11
Toen Daniël hoorde van het besluit dat op schrift gesteld was, ging hij naar zijn huis. In zijn bovenvertrek had hij in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar knielde hij neer, bad tot zijn God en prees Hem, precies zoals driemaal per dag zijn gewoonte was.
Daniël 9:2
in het eerste jaar van zijn koningschap, leidde ik, Daniël, uit de boeken af hoeveel jaren het zou duren voordat de puinhopen van Jeruzalem verdwenen zouden zijn. Zoals de HEER aan de profeet Jeremia had gezegd, waren dat er zeventig.
Daniël 9:7
U, Heer, staat in uw recht – ons staat deze dag de schaamte op het gezicht, ons, de Judeeërs, de inwoners van Jeruzalem, alle Israëlieten, of ze nu dichtbij zijn of ver weg, in alle landen waarheen U hen hebt verdreven vanwege hun ontrouw jegens U.
Daniël 9:12
Hij heeft groot onheil over ons gebracht en het dreigement uitgevoerd dat Hij tegen ons en onze leiders had geuit; op de hele wereld was nog nooit voorgekomen wat nu in Jeruzalem is gebeurd.
Daniël 9:16
Heer, U hebt u steeds rechtvaardig betoond, wend toch uw hevige toorn af van uw stad Jeruzalem, uw heilige berg; want om onze zonden en om de overtredingen van onze voorouders worden Jeruzalem en uw volk te schande gemaakt bij alle volken om ons heen.
Daniël 9:25
Je moet weten en begrijpen: Vanaf het ogenblik waarop de boodschap is uitgegaan dat Jeruzalem hersteld en weer opgebouwd zal worden tot het tijdstip waarop een gezalfde vorst verschijnt, zullen zeven weken verstrijken; en het herstel en de wederopbouw van de stad, met pleinen en wallen en al, zal tweeënzestig weken duren, en het zal een tijd van verdrukking zijn.
Joël 3:5
Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen: op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden, zoals de HEER heeft beloofd; ieder die Hij roept zal worden gered.
Joël 4:1
In dezelfde tijd dat Ik het lot van Juda en Jeruzalem ten goede keer,
Joël 4:6
Jullie hebben de inwoners van Juda en Jeruzalem aan de Grieken verkocht en hen zo van hun eigen grond weggerukt.
Joël 4:16
De HEER brult vanaf de Sion, Hij gromt vanuit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven. Maar voor zijn volk is de HEER een toevlucht, een vesting is Hij voor Israël.
Joël 4:17
Dan zullen jullie inzien dat Ik, de HEER , jullie God, woon op de Sion, mijn heilige berg. Jeruzalem zal een heilige stad zijn; vreemden zullen haar niet meer binnengaan.
Joël 4:20
Juda en Jeruzalem blijven altijd bewoond, tot in het verste nageslacht.
Amos 1:2
Dit is wat hij zei: De HEER brult vanaf de Sion, Hij gromt vanuit Jeruzalem, de weiden van de herders verdrogen, de top van de Karmel verdort.
Amos 2:5
Ik zal Juda in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Jeruzalem verteren.
Obadja 1:11
Op de dag dat je toekeek hoe andere volken de bezittingen van je broeder wegsleepten, hoe vreemdelingen de stadspoorten binnengingen en het lot wierpen over Jeruzalem, toen stond jij aan hun kant.
Obadja 1:20
De ballingen uit Israël, een legermacht geworden, zullen het land van de Kanaänieten veroveren tot aan Sarefat, en de ballingen uit Jeruzalem, nu nog in Sefarad, zullen de steden van de Negev in bezit nemen.
Micha 1:1
Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Micha uit Moreset, toen Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden; het visioen dat hij zag over Samaria en Jeruzalem.
Micha 1:5
Dit alles gebeurt om Jakobs misdaad, om de zonden van het volk van Israël. Wat is de misdaad van Jakob? Samaria! Wat zijn de offerhoogten van Juda? Jeruzalem!
Micha 1:9
De wonden van Samaria zijn ongeneeslijk, ze reiken tot aan Juda, ze raken aan de poort van mijn volk, ze raken Jeruzalem.
Micha 1:12
De bevolking van Marot heeft gehoopt op het goede, maar het onheil van de HEER daalde neer tot bij de poorten van Jeruzalem.
Micha 3:10
die Sion bouwen op bloed en Jeruzalem op onrecht.
Micha 3:12
Daarom, door jullie toedoen, zal de Sion als een akker worden omgeploegd, zal Jeruzalem een ruïne worden en de tempelberg een overwoekerde heuvel.
Micha 4:2
machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER , naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER .
Micha 4:8
En jij, wachttoren over de kudde, vesting van Sion, jij zult je vroegere heerschappij herkrijgen, aan jou, Jeruzalem, behoort het koningschap toe.
Sefanja 1:4
Ik zal mijn hand naar Juda en de inwoners van Jeruzalem uitstrekken. Daar zal Ik de Baäls, de afgodendienaars en de priesters vernietigen.
Sefanja 1:12
Dan doorzoek Ik Jeruzalem met lampen, straf Ik hen die rusten als wijn op de droesem en denken: De HEER doet geen goed en geen kwaad.
Sefanja 3:14
Jubel, vrouwe Sion, zing van vreugde, Israël, juich met heel je hart, vrouwe Jeruzalem!
Sefanja 3:16
Op die dag zal men tegen Jeruzalem zeggen: ‘Wees niet bang, Sion! Laat de moed niet zinken!’
Zacharia 1:12
Toen riep de engel van de HEER uit: ‘ HEER van de hemelse machten, hoe lang zal het nog duren voor U erbarmen toont met Jeruzalem en de steden van Juda, waarop U nu al zeventig jaar verbolgen bent?’
Zacharia 1:14
en de engel droeg mij op te verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde neem Ik het op voor Jeruzalem en Sion,
Zacharia 1:16
Daarom – zegt de HEER – keer Ik vol erbarmen terug naar Jeruzalem. Mijn huis zal er worden herbouwd – spreekt de HEER van de hemelse machten – en over de stad zal het meetlint worden gespannen.’
Zacharia 1:17
Verder moest ik verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen mijn steden overvloeien van voorspoed, opnieuw zal de HEER Sion troosten, opnieuw zal Hij Jeruzalem uitverkiezen.’
Zacharia 2:2
‘Wat betekent dat?’ vroeg ik de engel die met mij sprak, en hij antwoordde: ‘Dat zijn de hoorns die het volk van Juda, Israël en Jeruzalem uiteen hebben gedreven.’
Zacharia 2:6
‘Waar gaat u heen?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Ik ga opmeten hoe groot Jeruzalem moet worden.’
Zacharia 2:8
en zei tegen hem: ‘Vlug, zeg tegen die jongeman dat Jeruzalem een open stad zal blijven, niet ommuurd, vanwege het grote aantal mensen en dieren dat er zal wonen.
Zacharia 2:16
Op heilige grond zal de HEER het volk van Juda tot zijn bezit maken en opnieuw zal Hij Jeruzalem uitverkiezen.
Zacharia 3:2
De HEER zei tegen de satan: ‘De HEER zal je het zwijgen opleggen. De HEER , die Jeruzalem heeft uitverkozen, zal jou het zwijgen opleggen. Is deze Jozua niet een stuk zwartgeblakerd hout dat uit het vuur is weggerukt?’
Zacharia 7:7
Jullie weten toch wat de HEER bij monde van de vroegere profeten heeft gezegd, toen Jeruzalem en de omliggende steden nog bewoond en vredig waren, en er ook mensen woonden in de Negev en het heuvelland.
Zacharia 8:3
Dit zegt de HEER : Ik keer terug naar de Sion en kom in Jeruzalem wonen. Jeruzalem zal Stad van trouw heten, en de berg van de HEER van de hemelse machten Heilige berg.
Zacharia 8:4
Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mannen en vrouwen zitten, elk met een stok in de hand vanwege hun hoge leeftijd,
Zacharia 8:8
en hen naar Jeruzalem brengen. Daar zullen ze wonen. Zij zullen mijn volk zijn en Ik hun God, in onwankelbare trouw.
Zacharia 8:15
Maar nu heb Ik me voorgenomen om het goede te doen voor het volk van Jeruzalem en Juda. Wees dus niet bang.
Zacharia 8:22
Grote en machtige volken zullen naar Jeruzalem komen om daar de HEER van de hemelse machten te raadplegen en zijn gunst af te smeken.
Zacharia 9:9
Juich, vrouwe Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin.
Zacharia 9:10
Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen en de paarden uit Jeruzalem; de oorlogsboog wordt gebroken. Hij zal vrede stichten tussen de volken. Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee, van de Rivier tot aan de einden der aarde.
Zacharia 12:2
Ik zal van Jeruzalem een beker wijn maken die de omringende volken bedwelmt. Als Jeruzalem wordt belegerd, zal ook Juda onder de voet gelopen worden.
Zacharia 12:3
Op de dag dat alle volken op aarde tegen Jeruzalem oprukken, zal Ik van de stad een zware steen maken waaraan haar belagers zich vertillen.
Zacharia 12:5
Dan zullen de stamhoofden van Juda bij zichzelf zeggen: Onze kracht ligt bij de inwoners van Jeruzalem, dankzij de HEER van de hemelse machten, hun God.
Zacharia 12:6
Op die dag maak Ik de stamhoofden van Juda tot een vuurpot in een takkenbos, tot een fakkel in een korenschoof, zodat de vlammen om zich heen grijpen en de omringende volken verzengen. Jeruzalem zal zijn eigen plaats behouden.
Zacharia 12:7
Eerst zal de HEER de overwinning schenken aan de bevolking die verspreid over Juda woont, opdat de roem van het huis van David en van de inwoners van Jeruzalem niet groter zal zijn dan die van heel Juda.
Zacharia 12:8
Maar de HEER zal tegelijkertijd de inwoners van Jeruzalem steunen: de zwakste onder hen zal op die dag zo sterk zijn als David en het huis van David zal hen leiden alsof God zelf hen leidde, alsof er een engel van de HEER voor hen uit ging.
Zacharia 12:9
Op die dag zal Ik alles in het werk stellen om de volken uit te roeien die Jeruzalem belagen.
Zacharia 12:10
Het huis van David en de inwoners van Jeruzalem echter zal Ik vervullen met een geest van mededogen en inkeer. Ze zullen zich weer naar Mij wenden, en over degene die ze hebben doorstoken, zullen ze weeklagen als bij de rouw om een enig kind; hun verdriet zal zo bitter zijn als het verdriet om een eerstgeborene.
Zacharia 12:11
Op die dag zal de weeklacht in Jeruzalem even luid klinken als de weeklacht om Hadad-Rimmon in de vlakte van Megiddo.
Zacharia 13:1
Op die dag zal er een bron ontspringen waarin de nakomelingen van David en de inwoners van Jeruzalem hun zonde en onreinheid kunnen afwassen.
Zacharia 14:1
Er komt een dag dat de HEER zal ingrijpen, Jeruzalem, dat de buit binnen je muren wordt verdeeld.
Zacharia 14:2
Ik zal alle volken samenbrengen – zegt de HEER – om tegen Jeruzalem ten strijde te trekken. De stad zal worden ingenomen, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen verkracht. De helft van de inwoners wordt in ballingschap weggevoerd, maar het deel dat overblijft zal niet worden uitgeroeid.
Zacharia 14:4
Die dag zal Hij zijn voeten op de Olijfberg planten, ten oosten van Jeruzalem. De Olijfberg zal in tweeën splijten: de ene helft glijdt weg naar het noorden en de andere naar het zuiden, zodat er een breed dal ontstaat van oost naar west.
Zacharia 14:8
Als die dag aanbreekt, zal er in Jeruzalem helder water ontspringen: de ene helft zal in het oosten in zee uitmonden en de andere helft in het westen, zowel in de zomer als in de winter.
Zacharia 14:10
Het hele land wordt zo vlak als de Jordaanvallei, van Geba in het noorden tot aan Rimmon in het zuiden. Maar Jeruzalem zal zijn hoogverheven plaats behouden. Van de Benjaminpoort tot aan de oude poort, de Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot aan de koninklijke perskuipen
Zacharia 14:11
zal de stad bewoond zijn. Jeruzalem zal weer een veilige woonplaats zijn, want er zal nooit meer vernietiging over worden afgeroepen.
Zacharia 14:12
De volken die tegen Jeruzalem ten strijde zijn getrokken, zullen door de HEER worden getroffen met een afgrijselijke plaag: terwijl ze nog levend rondlopen zal Hij hun vlees laten wegteren van hun botten, hun ogen laten wegrotten in hun kassen en hun tong laten wegrotten in hun mond.
Zacharia 14:14
Ook Juda zal zich mengen in de slag om Jeruzalem. De rijkdommen van de belagers zullen als buit bijeen worden gebracht: grote hoeveelheden goud, zilver en kostbare gewaden.
Zacharia 14:16
De overlevenden van de volken die Jeruzalem hebben belaagd, zullen dan jaarlijks naar de stad komen om de HEER van de hemelse machten als koning te vereren en het Loofhuttenfeest te vieren.
Zacharia 14:17
En is er op aarde een volk dat niet naar Jeruzalem komt om de HEER van de hemelse machten als koning te vereren, dan zal er in dat land geen regen vallen.
Zacharia 14:18
Ook Egypte zal, wanneer zijn volk niet naar Jeruzalem komt, stellig worden getroffen door deze plaag, waarmee de HEER de volken straft die het Loofhuttenfeest niet komen vieren.
Zacharia 14:21
Alle kookpotten in Jeruzalem en Juda zullen aan de HEER van de hemelse machten gewijd zijn; ieder die wil offeren, kan ze gebruiken om er zijn offer in te bereiden. Als die dag aanbreekt, zullen er nooit meer handelaars zitten in de tempel van de HEER van de hemelse machten.
Maleachi 2:11
Juda heeft trouweloos gehandeld, en in Israël en Jeruzalem heeft men zich gruwelijk misdragen. Juda heeft ontwijd wat de HEER heilig is en wat Hij liefheeft; Juda is getrouwd met een vrouw die een vreemde god vereert.
Maleachi 3:4
De offers van Juda en Jeruzalem zullen de HEER met vreugde vervullen, zoals in vroeger jaren, zoals in de dagen van weleer.

Matteüs 2:1
Toen Jezus geboren was, in Betlehem in Judea, tijdens de regering van koning Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan.
Matteüs 2:3
Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem.
Matteüs 3:5
Uit Jeruzalem, uit heel Judea en uit de omgeving van de Jordaan stroomden de mensen toe
Matteüs 4:25
En grote groepen mensen volgden Hem, uit Galilea en de Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea en uit het gebied aan de overkant van de Jordaan.
Matteüs 5:35
noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning;
Matteüs 15:1
Toen kwamen er vanuit Jeruzalem farizeeën en schriftgeleerden naar Jezus. Ze vroegen Hem:
Matteüs 16:21
Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat Hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt.
Matteüs 20:17
Onderweg naar Jeruzalem nam Jezus de twaalf leerlingen apart. Hij zei tegen hen:
Matteüs 20:18
‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, die Hem ter dood zullen veroordelen.
Matteüs 21:1
Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfage op de Olijfberg kwamen, stuurde Jezus twee leerlingen eropuit
Matteüs 21:10
Toen Hij Jeruzalem binnenging, raakte de hele stad in rep en roer. ‘Wie is die man?’ wilde men weten.
Matteüs 23:37
Jeruzalem, Jeruzalem, jij die de profeten doodt en stenigt wie naar je toe zijn gestuurd! Hoe vaak heb Ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar jullie hebben het niet gewild.

Johannes 1:19
Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’
Johannes 2:13. Kort voor het Joodse pesachfeest reisde Jezus naar Jeruzalem..
Johannes 2:23
Toen Jezus op het pesachfeest in Jeruzalem was, kwamen velen tot geloof in zijn naam, omdat ze de tekenen zagen die Hij verrichtte.
Johannes 4:20
Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’
Johannes 4:21
‘Geloof Me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden.
Johannes 4:45
Toen Hij in Galilea kwam, ontvingen de mensen Hem gastvrij omdat ze hadden gezien wat Hij op het feest in Jeruzalem allemaal had gedaan; daar waren ze zelf bij geweest.
Johannes 5:1
Daarna was er een Joods feest, en Jezus ging naar Jeruzalem.
Johannes 5:2
In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een bad met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Betzata heet.
Johannes 10:22
In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd; het was winter.
Johannes 11:18
Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie,
Johannes 11:55
Het was kort voor het Joodse pesachfeest, en veel mensen uit de omgeving gingen al vóór het feest naar Jeruzalem om zich te reinigen.
Johannes 12:12
De volgende dag was er al een grote menigte in Jeruzalem voor het feest. Toen ze hoorden dat Jezus ook zou komen,
Handelingen 1:4
Terwijl Hij met hen at, gaf Hij hun deze opdracht: ‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten op wat de Vader heeft beloofd, waarover jullie van Mij hebben gehoord.
Handelingen 1:8
Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’
Handelingen 1:12
Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand.
Handelingen 1:19
Alle inwoners van Jeruzalem hebben van deze gebeurtenis gehoord, en daarom noemen ze dat stuk grond in hun eigen taal Akeldama, wat “bloedgrond” betekent.
Handelingen 2:5
In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde.
Handelingen 2:14
Daarop trad Petrus naar voren, samen met de elf andere apostelen, verhief zijn stem en sprak de menigte toe: ‘U, Joden en inwoners van Jeruzalem, luister naar mijn woorden en neem ze ter harte.
Handelingen 4:5
De volgende dag kwamen de leiders, de oudsten en de schriftgeleerden bijeen in Jeruzalem,
Handelingen 4:16
Ze zeiden: ‘Wat moeten we met hen doen? Voor alle inwoners van Jeruzalem is het duidelijk dat er door hun toedoen een wonder is verricht, en wij kunnen dat niet ontkennen.
Handelingen 5:16
Ook vanuit de steden rondom Jeruzalem stroomden de mensen toe; ze brachten zieken mee en mensen die door onreine geesten gekweld werden, en allen werden genezen.
Handelingen 5:28
‘Hebben wij u niet nadrukkelijk verboden die naam nog te gebruiken en er onderricht over te geven? En toch verspreidt u uw leer in heel Jeruzalem en stelt u ons aansprakelijk voor de dood van die man.’
Handelingen 6:7
Het woord van God vond steeds meer gehoor, zodat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk groeide; ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof.
Handelingen 8:1
Saulus keurde de moord op hem goed. Nog diezelfde dag brak er een hevige vervolging los tegen de gemeente in Jeruzalem, zodat allen verspreid werden over Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen.
Handelingen 8:14
Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria het woord van God hadden aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe.
Handelingen 8:25
Nadat Petrus en Johannes getuigenis hadden afgelegd van de Heer en zijn boodschap hadden verkondigd, aanvaardden ze de terugreis naar Jeruzalem en brachten het evangelie in tal van dorpen in Samaria.
Handelingen 8:26
Een engel van de Heer zei tegen Filippus: ‘Ga tegen de middag naar de verlaten weg van Jeruzalem naar Gaza.’
Handelingen 8:27
Filippus deed wat hem gezegd werd en ging naar die weg toe. Net op dat moment was daar een Ethiopiër, een eunuch, een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, die belast was met het beheer van haar schatkist. Hij was in Jeruzalem geweest om daar God te aanbidden
Handelingen 9:2
met het verzoek hem aanbevelingsbrieven mee te geven voor de synagogen in Damascus, opdat hij de aanhangers van de Weg die hij daar zou aantreffen, mannen zowel als vrouwen, gevangen kon nemen en kon meevoeren naar Jeruzalem.
Handelingen 9:13
Ananias antwoordde: ‘Heer, van veel kanten heb ik gehoord over deze man en over al het kwaad dat hij uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan.
Handelingen 9:21
Allen die hem hoorden waren stomverbaasd en vroegen: ‘Dat is toch de man die in Jeruzalem iedereen naar het leven stond die de naam van Jezus aanroept? En hij is toch hierheen gekomen om hen gevangen te nemen en uit te leveren aan de hogepriesters?’
Handelingen 9:26
Toen hij terug was in Jeruzalem wilde hij zich aansluiten bij de leerlingen, maar die waren bang voor hem omdat ze niet geloofden dat ook hij een leerling was geworden.
Handelingen 9:28
Saulus liep nu openlijk met de apostelen in Jeruzalem rond en verkondigde vrijmoedig de naam van de Heer.
Handelingen 10:39
Wij zijn de getuigen van alles wat Hij gedaan heeft, in het land van de Joden en ook in Jeruzalem. Zeker, ze hebben Hem gedood door Hem aan een kruishout te hangen,
Handelingen 11:2
Toen Petrus terugkwam in Jeruzalem, spraken de Joodse gelovigen hem hierover aan
Handelingen 11:22
Het nieuws over hun optreden bereikte de gemeente in Jeruzalem, waar men besloot Barnabas naar Antiochië te zenden.
Handelingen 11:27
In diezelfde tijd kwamen er vanuit Jeruzalem profeten naar Antiochië.
Handelingen 12:25
Barnabas en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na daar hun gift overhandigd te hebben. Ze namen Johannes Marcus met zich mee.
Handelingen 13:13
Paulus en zijn reisgenoten scheepten zich in Pafos in om naar Perge in Pamfylië te reizen. Daar verliet Johannes de beide anderen, en hij keerde terug naar Jeruzalem.
Handelingen 13:27
De inwoners van Jeruzalem en hun leiders hebben niet alleen Jezus miskend, maar ook de uitspraken van de profeten die elke sabbat worden voorgelezen. Door Jezus te veroordelen hebben ze deze uitspraken in vervulling doen gaan.
Handelingen 13:31
gedurende ettelijke dagen is Hij verschenen aan degenen die met Hem van Galilea naar Jeruzalem waren getrokken en die nu onder het volk van Hem getuigen.
Handelingen 15:2
Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd. Besloten werd dat Paulus en Barnabas, samen met enkele andere leerlingen, naar Jeruzalem zouden gaan om deze kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten.
Handelingen 15:4
Bij hun aankomst in Jeruzalem werden ze verwelkomd door de apostelen en de oudsten en door de rest van de gemeente. Ze brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht.
Handelingen 16:4
Op hun tocht langs de steden stelden ze de gemeenteleden op de hoogte van de besluiten die door de apostelen en de oudsten in Jeruzalem waren genomen en droegen hun op zich daaraan te houden.
Handelingen 18:22
Nadat hij in Caesarea aan land was gegaan, reisde hij via Jeruzalem, waar hij een bezoek bracht aan de gemeente, naar Antiochië.
Handelingen 19:21
Na deze gebeurtenissen vatte Paulus het plan op om eerst nog naar Macedonië en Achaje te reizen en vervolgens naar Jeruzalem te gaan. Hij verklaarde: ‘Als ik daar ben geweest, moet ik ook een bezoek aan Rome brengen.’
Handelingen 20:16
Paulus had namelijk besloten Efeze voorbij te varen om te voorkomen dat hij in Asia zou worden opgehouden. Hij wilde als het maar enigszins mogelijk was op het Pinksterfeest in Jeruzalem zijn.
Handelingen 20:22
Nu ben ik op weg naar Jeruzalem, gedreven door de Geest, zonder te weten wat me daar te wachten staat,
Handelingen 21:4
We gingen op zoek naar de leerlingen en bleven een week bij hen. Sprekend door de Geest ontraadden ze Paulus naar Jeruzalem door te reizen.
Handelingen 21:11
Hij zocht ons op, pakte Paulus’ gordel en bond daarmee zijn eigen handen en voeten vast. Toen zei hij: ‘Dit zegt de heilige Geest: “Zo zal de man van wie deze gordel is, worden vastgebonden door de Joden in Jeruzalem, die hem aan de heidenen zullen uitleveren.”’
Handelingen 21:12
Toen we dit hoorden, drongen wij en de gelovigen van Caesarea er bij Paulus op aan om niet naar Jeruzalem te reizen.
Handelingen 21:13
Maar Paulus antwoordde: ‘Waarom proberen jullie me door je tranen te vermurwen? Ik ben niet alleen bereid me in Jeruzalem gevangen te laten nemen, maar ook om er te sterven omwille van de naam van de Heer Jezus.’
Handelingen 21:15
Korte tijd later maakten we ons reisvaardig en gingen naar Jeruzalem.
Handelingen 21:17
Bij onze aankomst in Jeruzalem ontvingen de gelovigen ons gastvrij.
Handelingen 21:31
Terwijl de menigte probeerde hem te vermoorden, ontving de tribuun van de in Jeruzalem gelegerde cohort bericht dat er grote opschudding was ontstaan in de stad.
Handelingen 22:5
iets dat de hogepriester en de hele raad van oudsten kunnen bevestigen. Ik heb van hen zelfs aanbevelingsbrieven gekregen voor onze broeders in Damascus, toen ik daarheen ging om ook daar mensen gevangen te nemen en hen naar Jeruzalem te brengen, waar ze hun straf moesten ondergaan.
Handelingen 22:17
Later, toen ik terug was in Jeruzalem en in de tempel aan het bidden was, werd ik opeens gegrepen door een visioen.
Handelingen 22:18
Ik zag de Heer, die tegen me zei: “Haast je en vertrek meteen uit Jeruzalem, want ze zullen van jou geen getuigenis over Mij aanvaarden.”
Handelingen 23:11
Die nacht kwam de Heer bij Paulus en zei: ‘Houd moed! Want zoals je in Jeruzalem getuigenis van Mij hebt afgelegd, zo moet je ook in Rome van Mij getuigen.’
Handelingen 24:11
U kunt u ervan vergewissen dat ik pas twaalf dagen geleden naar Jeruzalem ben gegaan om daar God te aanbidden.
Handelingen 24:17
Na verscheidene jaren ben ik naar Jeruzalem gekomen om giften van barmhartigheid te brengen voor mijn volk en offers op te dragen.
Handelingen 25:1
Drie dagen nadat Festus zijn intrede in de provincie had gedaan, ging hij van Caesarea naar Jeruzalem.
Handelingen 25:3
of hij hun een gunst wilde bewijzen door Paulus naar Jeruzalem te laten overbrengen, want ze hadden het plan opgevat hem onderweg te vermoorden.
Handelingen 25:7
Toen Paulus verscheen, gingen de Joden uit Jeruzalem om hem heen staan en brachten allerlei zware beschuldigingen tegen hem in, die ze niet konden bewijzen.
Handelingen 25:9
Maar Festus wilde de Joden ter wille zijn, en daarom vroeg hij Paulus: ‘Wilt u naar Jeruzalem gaan om daar in mijn aanwezigheid voor deze zaak terecht te staan?’
Handelingen 25:15
Toen ik in Jeruzalem was hebben de hogepriesters en de oudsten van de Joden een klacht tegen hem ingediend en om zijn veroordeling verzocht.
Handelingen 25:20
Omdat ik niet goed wist hoe ik deze kwesties moest onderzoeken, vroeg ik of hij bereid was naar Jeruzalem te gaan om daar terecht te staan.
Handelingen 25:24
Festus zei: ‘Koning Agrippa, en u allen die hier aanwezig bent, dit is de man om wie de hele Joodse bevolking zich tot mij heeft gewend, zowel hier als in Jeruzalem, terwijl ze luidkeels te kennen gaven dat hij niet langer het recht had om te leven.
Handelingen 26:4
Het is alle Joden bekend welk leven ik sinds mijn vroegste jeugd te midden van mijn volk en in Jeruzalem heb geleid;
Handelingen 26:10
en daarvoor heb ik me in Jeruzalem dan ook ingezet. Met toestemming van de hogepriesters heb ik een groot aantal heiligen in de gevangenis laten opsluiten, en als ze ter dood gebracht werden gebeurde dat met mijn instemming.
Handelingen 26:20
en heb eerst aan de inwoners van Damascus en Jeruzalem, en aan allen die in Judea wonen, en later ook aan de andere volken verkondigd dat ze tot inkeer moesten komen en zich tot God moesten bekeren, en zich moesten gaan gedragen op een manier die daarbij past.
Handelingen 28:17
Na drie dagen riep hij de Joodse leiders bij zich. Toen ze bijeengekomen waren, zei hij tegen hen: ‘Broeders, ofschoon ik ons volk niets heb misdaan en de gebruiken van onze voorouders niet heb geschonden, ben ik door de Joden in Jeruzalem gevangengenomen en uitgeleverd aan de Romeinen,
Romeinen 15:19
door krachtige tekenen en wonderen die ik heb verricht door de macht van Gods Geest. Zo heb ik vanaf Jeruzalem tot aan Illyrië overal het evangelie van Christus verspreid.
Romeinen 15:25
Nu sta ik echter op het punt naar Jeruzalem te gaan om de heiligen daar bijstand te verlenen,
Romeinen 15:27
Ze hebben daartoe vrijwillig besloten, maar ze staan dan ook bij hen in de schuld. Want omdat zij, afkomstig uit andere volken, deel hebben gekregen aan de geestelijke rijkdommen van de heiligen in Jeruzalem, zijn zij op hun beurt verplicht hen in materiële zaken bij te staan.
Romeinen 15:31
dat ik behoed word voor de ongelovigen in Judea en dat mijn hulp door de heiligen in Jeruzalem zal worden gewaardeerd.
1 Korintiërs 16:3
Wanneer ik eenmaal bij u ben, zal ik degenen die u hebt uitgekozen om de gaven te overhandigen, met aanbevelingsbrieven naar Jeruzalem laten gaan.
2 Korintiërs 8:4
Uit eigen beweging hebben ze ons dringend verzocht mee te mogen doen aan de collecte om de heiligen in Jeruzalem te ondersteunen.
2 Korintiërs 8:14
Op dit moment lenigt u met uw overvloed de nood van de heiligen in Jeruzalem, zodat zij later met hun overvloed uw nood kunnen lenigen. Zo is er evenwicht,
2 Korintiërs 9:1
Eigenlijk hoef ik u niets te schrijven over de collecte voor de heiligen in Jeruzalem,
2 Korintiërs 9:12
Uw bijdrage aan de collecte heft immers niet alleen het gebrek van de heiligen in Jeruzalem op, maar leidt er bovendien toe dat ze God uitbundig danken.
Galaten 1:17
en ben ook niet naar Jeruzalem gegaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik. Ik ben onmiddellijk naar Arabië gegaan en ben van daar weer teruggekeerd naar Damascus.
Galaten 1:18
Pas drie jaar later ging ik naar Jeruzalem om Kefas te ontmoeten, en bij hem bleef ik twee weken.
Galaten 2:1
Na verloop van veertien jaar ging ik opnieuw naar Jeruzalem, samen met Barnabas, en ik nam ook Titus mee.
Galaten 4:25
Als beeld van dat verbond staat Hagar voor het huidige Jeruzalem, dat met haar kinderen in slavernij leeft.
Galaten 4:26
Maar het hemelse Jeruzalem is vrij, en dat is onze moeder,
Hebreeën 12:22
Nee, u bent de Sionsberg genaderd, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn,
Openbaring 3:12
Wie overwint maak Ik tot een zuil in de tempel van mijn God. Daar zal hij voor altijd blijven staan. Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen, en ook mijn eigen nieuwe naam.
Openbaring 21:2
Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht.
Openbaring 21:10
Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar een heel hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij God vandaan.

Sion

In 2 Samuel 5:7 komt voor de eerste keer de naam Sion voor. De KJV vertaalt altijd met Zion, en één keer met Sion, dat is in Psalm 65:1. Waarom?

Tot het boek van de Psalmen komt de naam Sion zes keer voor, daarna dus nog 148 keer, waarvan in de Psalmen 38 en in Jesaja 46 keer. Het begrip Sion is dus pas in de loop van de geschiedenis een belangrijk begrip geworden.

De eerste keer dat het woord Sion voorkomt, gaat het over een persoon.
Jozua 19:19. Chafaraïm, Sion, Anacharat.

De bergvesting op de berg Sion

Op de helling van de berg Sion was een stad waar de Jebusieten woonden. Er was een bergvesting en die werd genoemd de bergvesting op de Sion. De naam Sion wordt als eerste genoemd toen koning David de stad ging veroveren.
1 Kronieken 11:5. De Jebusieten zeiden tegen David: ‘U komt er niet in!’ Toch veroverde David de bergvesting van Sion, de huidige Davidsburcht.
Opmerking: deze geschiedenis staat ook in 2 Samuel 5.

Voor de tweede keer lezen we over Sion als koning Salomo de ark laat overbrengen van de bergvesting op de Sion naar de tempel enkele honderden meters hoger op de top van de berg.
2 Kronieken 5:2. Daarna liet koning Salomo de oudsten van Israël en de stamhoofden, allen die aan het hoofd van een familie stonden, naar Jeruzalem komen om de ark van het verbond met de HEER over te brengen vanuit de Davidsburcht, de bergvesting op de Sion.
Opmerking: deze geschiedenis staat ook in 1 Koningen 8.

Sion de berg van God, daar woont hij.

Psalmen 2:6. ‘Ikzelf heb mijn koning gezalfd, op de Sion, mijn heilige berg.’ Psalmen 9:12. Zing voor de HEER die zetelt op de Sion, maak aan de volken zijn daden bekend.

Psalmen 65:2. U komt de lof toe, God die woont op de Sion, U zult ontvangen wat U is beloofd.

Psalmen 74:2. Denk aan het volk dat U ooit hebt verworven, de stam die U hebt vrijgekocht, uw eigen bezit, de Sionsberg waar U ging wonen.

Psalmen 135:21. Geprezen zij de HEER op de Sion, Hij die zijn woning heeft in Jeruzalem. Halleluja!

Psalmen 132:13. De HEER heeft Sion verkozen en als woonplaats begeerd:

En hier een tekst uit één van de boeken van de profeten waar ook staat dat de HEER op de Sion woont.
Jesaja 8:18. Ik ben, met de kinderen die de HEER mij heeft gegeven, een teken voor Israël, een zinnebeeld van de HEER van de hemelse machten, die op de Sion woont.

Van Sion komt de hulp van God.

Psalmen 9:15. Dan kan ik vertellen van uw roemrijke daden, juichen in de poorten van Sion: ‘U hebt mij gered!’
Psalmen 14:7. Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als de HEER het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.
Psalmen 20:3. moge Hij hulp zenden uit zijn heiligdom, uit Sion u bijstaan.

Psalmen 53:7. Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als God het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.

Psalmen 110:2. Uit Sion reikt de HEER u de scepter van de macht, u zult heersen over uw vijanden.
Psalmen 125:1. Wie op de HEER vertrouwt is als de Sionsberg, die onwankelbaar vast staat voor eeuwig.

Psalmen 133:3. als de dauw van de Hermon die neervalt op de bergen van Sion. Daar geeft de HEER zijn zegen: leven voor altijd.

Psalmen 134:3. Moge uit Sion de HEER u zegenen, die hemel en aarde gemaakt heeft.

Dochter(s) van Sion

De uitdrukking dochter van Sion komt 31 keer voor in het Oude Testament, woordnummers H1323 en H6726.

Voor het eerst in deze tekst in 2 Koningen 19:20-21.
2 Koningen 19:20-21. Jesaja, de zoon van Amos, liet Hizkia weten: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik heb je gebed over koning Sanherib van Assyrië gehoord, en dit is wat Ik, de HEER, over hem zeg:
Vrouwe Sion minacht je, ze lacht je uit, meewarig schudt Jeruzalem haar hoofd.
Opmerking: de profetie loopt nog door tot vers 31. Is ook beschreven in Jesaja 37.

Psalm 9:14-15. Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, mij aangedaan door wie mij haten, U Die mij opheft uit de poorten van de dood. Dan zal ik al Uw loffelijke daden vertellen in de poorten van de dochter van Sion, mij verheugen in Uw heil. [HSV]
Opmerking: de NBV21 laat het woord dochter weg.

Hooglied 3:11. Kom kijken, meisjes van Sion, kijk naar koning Salomo! Kijk! De kroon waarmee zijn moeder hem tooide op zijn bruiloftsdag, de dag die zijn hart zo verblijdt.

Vervolgens komt het begrip dochter van Sion in de boeken van de profeten voor. Hier alleen een citaat van de eerste drie keer dat de uitdrukking voorkomt.

Jesaja 1:8. Wat rest er nog van Sion? Het is als een hut in een wijngaard, een schuilhut in een komkommerveld, een stad in het nauw.
Opmerking: de NBV 21 laat het woord dochter onvertaald.

En dan hier een tekst waarin negatief wordt gesproken over de dochter van Sion.
Jesaja 3:16-17. De HEER zegt: Kijk eens hoe hooghartig die vrouwen van Sion zijn; zie hen verwaand flaneren en verleidelijke blikken om zich heen werpen, hoor het rinkelen bij de trippelpasjes die ze maken. Daarom zal de HEER Sions vrouwen de schedel kaalscheren en hun voorhoofd ontbloten.
Opmerking: in Jesaja 4:4 staat dat de HEER het vuil van deze vrouwen zal afspoelen, zie paragraaf Sion in de toekomst.

Sion als persoon

Psalmen 48:12. De Sionsberg verheugt zich, de steden van Juda juichen om uw rechtvaardige daden.

Psalmen 97:8. Sion hoort het en verheugt zich; de steden van Juda juichen om uw rechtspraak, HEER.

Sion, om te bewonderen

Psalmen 48:3. – schone hoogte, vreugde van heel de aarde, Sionsberg, flank op het noorden, zetel van de grote koning –

Psalmen 48:13. Ga rond Sion, trek eromheen, tel zijn torens.

Psalmen 50:2. Uit Sion, stad van volmaakte pracht, verschijnt God in stralend licht.

Voorbede voor Sion

Psalmen 51:20. Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed, bouw de muren van Jeruzalem weer op.

Psalmen 69:36. Want God zal Sion redden en de steden van Juda herbouwen. Zijn volk zal daar wonen en het land bezitten.

Psalmen 102:14. U zult opstaan en u over Sion ontfermen, de tijd van genade is gekomen, dit is het uur,
Psalmen 102:17. als de HEER Sion heeft opgebouwd en in majesteit is verschenen,
Psalmen 102:22. Dan wordt in Sion de naam van de HEER geprezen, zijn lof gezongen in Jeruzalem.

Psalmen 126:1. Toen de HEER het lot van Sion keerde, was het of wij droomden,

Psalmen 137:1. Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij treurend en dachten aan Sion.
Psalmen 137:3. Daar durfden onze bewakers te vragen om een lied, daar vroegen onze beulen: ‘Zing voor ons een vrolijk lied uit Sion.’

<<>>
Psalmen 76:3. In Salem sloeg Hij zijn tent op, in Sion lag Hij in hinderlaag.

Psalmen 78:68. nee, de stam Juda koos Hij, de Sionsberg heeft Hij lief.

Psalmen 84:8. Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen.

Psalmen 87:5. Met recht kan men van Sion zeggen: ‘Welk volk ook, het is hier geboren, de Allerhoogste houdt Sion in stand.’

Psalmen 99:2. Groot is de HEER op de Sion, verheven is Hij boven alle volken.

Psalmen 128:5. Ontvang de zegen van de HEER uit Sion. Je zult de voorspoed van Jeruzalem aanschouwen, alle dagen van je leven.

Psalmen 129:5. Beschaamd deinzen terug allen die Sion haten,


Psalmen 146:10. De HEER is koning tot in eeuwigheid, je God, Sion, van geslacht op geslacht. Halleluja!
Psalmen 147:12. Prijs, Jeruzalem, prijs de HEER, loof, Sion, loof je God.

De verlossing van Sion

Op gegeven moment komt Jeruzalem en de berg Sion in handen van andere volken. En dan gaat men verlangen naar hun berg en naar de verlossing van die berg uit de handen van hun vijanden.
Jesaja 1:27. Sion zal verlost worden door recht, wie er tot inkeer komt, door gerechtigheid.

De toekomst van Sion

En dit is wat in de 21ste eeuw van onze jaartelling gebeurt.
Jesaja 2:3. … machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.

Jesaja 4:3-5. Ieder die nog in Sion over is, ieder die in Jeruzalem is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeruzalem die ten leven opgeschreven zijn. Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, dan zal Hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Die zullen de luister van de Sion overdekken.

Jesaja 10:12. Maar zodra de Heer met de Sion en Jeruzalem heeft gedaan wat Hij zich heeft voorgenomen, zal Hij de koning van Assyrië straffen om zijn hoogmoedige houding en trotse blik.
Jesaja 10:24. Daarom – dit zegt God, de HEER van de hemelse machten: Wees niet bang, mijn volk, dat op de Sion woont, wees niet bang voor Assyrië, dat jullie slaat met zijn stok en zijn staf tegen jullie opneemt, zoals eerder Egypte deed.
Jesaja 10:32
Vandaag nog houden ze halt bij Nob, ze ballen de vuist tegen de Sion, tegen de heuvel van Jeruzalem.
Jesaja 12:6
Jubel en juich, inwoners van Sion, want groot is de Heilige van Israël, die in jullie midden woont.’
Jesaja 14:32
Welk antwoord krijgen de gezanten van dat volk? Dat de HEER Sion heeft gegrondvest als een toevlucht voor de armen van zijn volk.’
Jesaja 16:1
Bied de koning van ons land een geschenk aan, stuur hem een ram, door de woestijn, vanuit Sela naar de Sion.
Jesaja 18:7
In die tijd worden geschenken gebracht aan de HEER van de hemelse machten door het rijzige volk met de glanzende huid, door het alom gevreesde volk, een volk van tirannen en geweldenaars, uit een land van rivieren doorsneden. Zij komen naar de Sion, waar de naam woont van de HEER van de hemelse machten.
Jesaja 24:23
Dan zal de heldere maan zich schamen, de stralende zon van schaamte verbleken. Want de HEER van de hemelse machten heerst op de Sion, in Jeruzalem wordt zijn luister getoond aan de oudsten van zijn volk.
Jesaja 28:16
Maar dit zegt God, de HEER: Ik leg in Sion een fundament met een uitgelezen grondsteen, een kostbare hoeksteen. Wie vertrouwen heeft, vlucht niet weg.
Jesaja 29:8
Zoals de droom van iemand die honger heeft: hij droomt over eten, maar is bij het ontwaken nog hongerig; of van iemand die dorst lijdt en droomt dat hij drinkt, maar uitgeput ontwaakt en nog steeds dorstig is – zo zal het ook de volken vergaan, de menigte die optrekt tegen de Sion.
Jesaja 30:19
Volk van Jeruzalem, dat op de Sion woont, je hoeft geen tranen meer te storten. Want Hij zal zich over je ontfermen als je weeklaagt, Hij zal antwoorden zodra Hij je hoort.
Jesaja 31:4
Dit zegt de HEER tegen mij: Zoals leeuw en welp grommend bij hun prooi staan – al komen de herders te hoop gelopen, zij storen zich niet aan hun geschreeuw en gaan niet voor het rumoer op de vlucht –, zo komt de HEER van de hemelse machten om op de hellingen van de Sion te strijden.
Jesaja 31:9
Verlamd van angst verliest de rots zijn kracht, ontzet laten zijn aanvoerders hun vaandel achter – zo spreekt de HEER, wiens vuur brandt in Sion, wiens oven laait in Jeruzalem.
Jesaja 33:5
Hoogverheven is de HEER, Hij woont hoog hierboven. Hij vult Sion met recht en gerechtigheid.
Jesaja 33:14
De zondaars in Sion sidderen, de goddelozen worden door angst bevangen: ‘Wie van ons kan wonen in verterend vuur? Wie kan wonen in vuur dat eeuwig brandt?’
Jesaja 33:20
Aanschouw dan Sion, de stad waar wij onze feesten weer vieren. Met eigen ogen zul je Jeruzalem zien, een oord waar je onbezorgd kunt wonen, een tent die nooit wordt afgebroken, waarvan geen tentpin ooit wordt uitgerukt en geen touw wordt losgemaakt.
Jesaja 35:10
Wie door de HEER bevrijd zijn, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Blijdschap en vreugde komen hun tegemoet, gejammer en verdriet vluchten weg.
Jesaja 37:32
want wie het overleven en ontkomen, zullen zich vanuit Jeruzalem, vanaf de Sion verspreiden. De HEER van de hemelse machten zal dat in zijn vurige liefde tot stand brengen.
Jesaja 40:9
Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion, verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem, verhef je stem, vrees niet. Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!’
Jesaja 41:27
Ik was de eerste die Sion verkondigde: ‘Kijk, daar zijn ze!’ Ik stuurde Jeruzalem een vreugdebode.
Jesaja 46:13
Ik breng mijn gerechtigheid nabij, ze is niet ver meer, het duurt niet lang voor Ik redding breng. Ik zal redding brengen in Sion, Ik laat Israël in mijn luister delen.
Jesaja 49:14
Sion zegt: ‘De HEER heeft mij verlaten, mijn Heer is mij vergeten.’
Jesaja 51:3
De HEER troost Sion, Hij biedt troost aan haar ruïnes. Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk, haar wildernis wordt als de tuin van de HEER. Het zal een oord zijn van vreugde en gejuich, waar muziek en lofzang klinken.
Jesaja 51:11
Wie door de HEER zijn bevrijd, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Blijdschap en vreugde komen hun tegemoet, gejammer en verdriet vluchten weg.
Jesaja 51:16
Ik leg je mijn woorden in de mond en bescherm je met de schaduw van mijn hand, Ik die de hemel geplant heb en de aarde gegrondvest, die tegen Sion zeg: ‘Mijn volk ben jij.’
Jesaja 52:1
Ontwaak, ontwaak, Sion, en bekleed je met je kracht! Bekleed je met je pronkgewaad, Jeruzalem, heilige stad. Nooit meer zul je worden betreden door wie onbesneden is, of onrein.
Jesaja 52:7
Hoe welkom is de vreugdebode die over de bergen komt aangesneld, die vrede aankondigt en goed nieuws brengt, die redding aankondigt en tegen Sion zegt: ‘Je God is koning!’
Jesaja 52:8
Hoor! Je wachters verheffen hun stem, samen barsten ze uit in gejuich, want ze zien het met eigen ogen: de HEER keert terug naar Sion.
Jesaja 59:20
Hij zal als bevrijder naar Sion komen, naar allen uit Jakobs nageslacht die met de misdaad breken – spreekt de HEER.
Jesaja 60:14
Met gebogen hoofd zullen ze komen, de zonen van je onderdrukkers, en iedereen die jou verachtte zal zich aan je voeten neerwerpen. Ze noemen je Stad van de HEER, Sion van de Heilige van Israël.
Jesaja 61:3
om aan Sions treurenden te schenken: een kroon op hun hoofd in plaats van stof, vreugdeolie in plaats van rouw, feestkledij in plaats van verslagenheid. Men noemt hen Terebinten van gerechtigheid, geplant door de HEER als teken van zijn luister.
Jesaja 64:9
Uw heilige plaatsen zijn een woestijn geworden: Sion is een woestijn, Jeruzalem een woestenij.
Jesaja 66:8
Wie heeft ooit zoiets gehoord? Wie heeft ooit zoiets gezien? Kan een land in één dag worden gebaard, kan een volk in één keer worden geboren? Maar Sion baart haar kinderen terwijl de weeën net begonnen zijn.
Jeremia 3:14
Kom terug, ontrouwe kinderen – spreekt de HEER –, want jullie behoren Mij toe. Ik zal jullie meenemen, uit elke stad één, uit elke familie twee, en jullie naar Sion brengen.
Jeremia 4:6
Wijs met de strijdvaan naar Sion! Vlucht, blijf niet staan!” Want Ik breng onheil uit het noorden, en grote rampspoed!
Jeremia 8:19
Hoor! Uit een ver land schreeuwt mijn volk om hulp: “Is de HEER niet op de Sion, oefent Hij daar zijn koningschap niet uit?”’ ‘Waarom hebben ze Mij met andere goden getergd, met hun nietige afgodsbeelden?’
Jeremia 9:18
Hoor, er klinkt een klaaglied uit Sion: “Ach, wij zijn te gronde gericht, hoe groot is onze schande. Wij moeten ons land verlaten, ze hebben onze huizen verwoest.”
Jeremia 14:19
‘Hebt U Juda verworpen, hebt U van de Sion een afkeer gekregen? Waarom hebt U ons zo hard geslagen dat er geen genezing voor ons is? Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit, wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons.
Jeremia 26:18
‘Toen Hizkia koning van Juda was trad Micha uit Moreset op als profeet. Hij zei tegen het volk van Juda: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De Sion zal als een akker worden omgeploegd, Jeruzalem zal een ruïne worden en de tempelberg een overwoekerde heuvel.”
Jeremia 30:17
Weet dat Ik je zal genezen, Ik zal je wonden helen – spreekt de HEER – ook al noemt men je Verworpene en zegt men: “Naar Sion kijken we niet meer om.”
Jeremia 31:6
De dag breekt aan dat in Efraïm de wachters op de bergen roepen: “Kom, laten we op weg gaan naar de Sion, naar de HEER, onze God!”
Jeremia 31:12
Zij komen juichend naar de Sion, stralend van vreugde om de gaven van de HEER: graan, wijn en olie, geiten, schapen en runderen. Zij gedijen als een waterrijke hof, nooit meer zal het hun aan iets ontbreken.
Jeremia 50:5
Ze zullen vragen welke weg naar Sion leidt en richten hun schreden ernaartoe. Ze zullen aankomen en zich opnieuw verbinden met de HEER, in een verbond dat eeuwig duurt en nooit zal worden vergeten.
Jeremia 50:28
Luister naar de vluchtelingen die uit Babel zijn ontkomen. In Sion brengen zij de boodschap: “Dit is de wraak van de HEER, onze God. Hij heeft zijn tempel gewroken.”
Jeremia 51:10
Israël zal zeggen: “De HEER heeft onze rechten hersteld. Kom, laten we in Sion vertellen wat de HEER, onze God, heeft gedaan.”
Jeremia 51:24
Israël, Ik zal ze laten boeten, de inwoners van Babel en Chaldea, voor alles wat ze voor jouw ogen in Sion hebben aangericht – spreekt de HEER.
Jeremia 51:35
“Moge Babel boeten voor het geweld dat het ons heeft aangedaan,” roepen Sions inwoners. “Moge de bevolking van Chaldea boeten voor het bloed dat ze vergoten heeft,” roept Jeruzalem.
Klaagliederen 1:4
De wegen naar Sion treuren, er zijn geen feestgangers meer. Haar poorten liggen verlaten, haar priesters zuchten, haar meisjes zijn bedroefd. En zijzelf: bitter is haar lot.
Klaagliederen 1:17
Sion strekt haar handen uit, maar er is niemand die haar troost. De HEER heeft de vijanden rondom tegen Jakob opgeroepen; zij bejegenen Jeruzalem alsof ze onrein is.
Klaagliederen 2:4
Als een vijand spande Hij zijn boog, als een tegenstander hief Hij zijn rechterhand. Zo doodde Hij hun kostbaarste bezit, en goot zijn gramschap uit als vuur over de tent van Sion.
Klaagliederen 2:6
De HEER heeft de omheining geslecht als bij een tuin, en de ontmoetingstent zelf heeft Hij vernietigd; Hij heeft in Sion sabbat en feestdag in onbruik doen raken, in zijn hevige toorn heeft Hij koning en priester verstoten.
Klaagliederen 2:10
De oudsten van Sion zitten zwijgend op de grond, met stof op hun hoofd, gehuld in een rouwkleed. De meisjes van Jeruzalem buigen het hoofd ter aarde.
Klaagliederen 2:13
Waarmee zal ik je vergelijken, Jeruzalem, welk voorbeeld kan ik je tonen? Waaraan zal ik je gelijkstellen, vrouwe Sion? Hoe kan ik je troosten? Wijd als de zee gapen je wonden – wie kan je genezen?
Klaagliederen 4:2
Het volk van Sion, ooit kostbaar als het fijnste goud, ach, niet meer waard nu dan een aarden kruik, dan pottenbakkerswerk.
Klaagliederen 4:11
De HEER heeft zijn woede uitgevierd, zijn brandende toorn uitgegoten, Hij heeft in Sion een vuur ontstoken dat haar fundamenten verteert.
Klaagliederen 4:22
Sion, je hebt voor je wandaden geboet, de HEER zal je niet meer verbannen; maar jouw wandaden, Edom, zal Hij bestraffen, jouw zonden worden blootgelegd.
Klaagliederen 5:11
Vrouwen hebben ze verkracht in Sion, meisjes in de steden van Juda.
Klaagliederen 5:18
dat de Sion nu een woestenij is, dat vossen er ronddolen.
Joël 2:1
Blaas de ramshoorn op de Sion, blaas alarm op mijn heilige berg, laten de inwoners van het land beven: De dag van de HEER komt! Hij is nabij!
Joël 2:15
Blaas de ramshoorn op de Sion, kondig een vastentijd af en roep op tot een plechtige samenkomst.
Joël 2:23
En jullie, kinderen van Sion, wees blij en verheug je in de HEER, jullie God, want Hij gaf regen om je te verkwikken, Hij liet de regen overvloedig op je neerdalen, vroege regen en late regen, elk op de juiste tijd.
Joël 3:5
Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen: op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden, zoals de HEER heeft beloofd; ieder die Hij roept zal worden gered.
Joël 4:16
De HEER brult vanaf de Sion, Hij gromt vanuit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven. Maar voor zijn volk is de HEER een toevlucht, een vesting is Hij voor Israël.
Joël 4:17
Dan zullen jullie inzien dat Ik, de HEER, jullie God, woon op de Sion, mijn heilige berg. Jeruzalem zal een heilige stad zijn; vreemden zullen haar niet meer binnengaan.
Joël 4:21
Zou Ik die bloedschuld niet wreken? Zeker zal Ik die wreken, zo zeker als de HEER op de Sion woont.
Amos 1:2
Dit is wat hij zei: De HEER brult vanaf de Sion, Hij gromt vanuit Jeruzalem, de weiden van de herders verdrogen, de top van de Karmel verdort.
Amos 6:1
Wee jullie, zorgelozen op de Sion, argelozen op de berg van Samaria, leiders van dit uitverkoren volk, tot wie de Israëlieten zich wenden!
Obadja 1:17
Maar jullie vinden een toevlucht op de Sion; de Sion wordt weer een heilige plaats. Het volk van Jakob zal bezit nemen van zijn bezetters:
Obadja 1:21
Bevrijders zullen de Sion op gaan en regeren over het bergland van Esau – en aan de HEER zal het koningschap toebehoren.
Micha 3:10
die Sion bouwen op bloed en Jeruzalem op onrecht.
Micha 3:12
Daarom, door jullie toedoen, zal de Sion als een akker worden omgeploegd, zal Jeruzalem een ruïne worden en de tempelberg een overwoekerde heuvel.
Micha 4:2
machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.
Micha 4:7
De kreupelen zal Ik sparen, van de verdrevenen maak Ik een groot volk, en op de Sion zal de HEER hun koning zijn, van nu tot in eeuwigheid.
Micha 4:11
Nu lopen vele volken tegen je te hoop, ze zeggen: ‘Laat Sion maar worden ontwijd, wij zijn er graag getuige van!’
Sefanja 3:14
Jubel, vrouwe Sion, zing van vreugde, Israël, juich met heel je hart, vrouwe Jeruzalem!
Sefanja 3:16
Op die dag zal men tegen Jeruzalem zeggen: ‘Wees niet bang, Sion! Laat de moed niet zinken!’
Zacharia 1:14
en de engel droeg mij op te verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde neem Ik het op voor Jeruzalem en Sion,
Zacharia 1:17
Verder moest ik verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen mijn steden overvloeien van voorspoed, opnieuw zal de HEER Sion troosten, opnieuw zal Hij Jeruzalem uitverkiezen.’
Zacharia 2:11
Kom, jullie die in Babel verblijven, zoek een veilig heenkomen in Sion.’
Zacharia 2:14
‘Jubel, Sion, en verheug je, want Ik kom in jouw midden wonen – spreekt de HEER.
Zacharia 8:2
‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik brand van liefde voor Sion; met vurige liefde neem Ik het voor haar op.
Zacharia 8:3
Dit zegt de HEER: Ik keer terug naar de Sion en kom in Jeruzalem wonen. Jeruzalem zal Stad van trouw heten, en de berg van de HEER van de hemelse machten Heilige berg.
Zacharia 9:9
Juich, vrouwe Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin.
Zacharia 9:13
Juda span Ik als mijn boog, Efraïm richt Ik als mijn pijl, en jouw zonen, Sion, hef Ik als een heldenzwaard tegen de Grieken.
Romeinen 9:33
waarover geschreven staat: ‘In Sion leg Ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot. Maar wie in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’
Romeinen 11:26
Dan zal heel Israël worden gered, zoals ook geschreven staat: ‘De redder zal uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht.
Hebreeën 12:22
Nee, u bent de Sionsberg genaderd, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn,
1 Petrus 2:6
In de Schrift staat immers: ‘In Sion leg Ik een hoeksteen die Ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit.’
Openbaring 14:1
Toen zag ik dit: het lam stond op de Sion, en bij het lam waren honderdvierenveertigduizend mensen die zijn naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd hadden.

Sion is de berg waar op de top de tempel destijds is gekomen. Het is wel bijzonder dat deze berg zo belangrijk is geworden. Het is namelijk niet de hoogste berg. Zowel ten Oosten, Zuiden, Westen als Noorden liggen er hogere bergen. Dat staat ook in een Psalm <<>> “Rondom Jeruzalem zijn bergen”.

Dat Sion niet de hoogste berg is heeft natuurlijk ook een geestelijke betekenis. De God van Israël is niet ergens hoog en ver weg, maar dichtbij. Hij komt naar ons toe.

Sion is één van de meest centrale thema’s van het Joodse volk. Het is dan ook een voorwerp van strijd voor de vijanden van Israël. Bij hen is zionist een belangrijk scheldwoord. Het is wel de plek, die het meest verbonden is met God, de schepper van hemel en aarde.

Moria

De naam Moria kom je maar twee keer tegen in de Bijbel. Het is een beschrijving van de berg Sion blijkt uit de tweede tekst hieronder. Moriyah betekent zoiets als: gezien door Jah, of gekozen door Jah. Jah is de naam van God.

Genesis 22:2. ‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.’

2 Kronieken 3:1. Toen begon Salomo met de bouw van de tempel voor de HEER, in Jeruzalem, op de berg Moria, waar zijn vader David een verschijning had gehad, op de dorsvloer van de Jebusiet Ornan die David als bouwplaats had aangewezen.

Ofel

Dat is een woord dat maar vijf keer wordt gebruikt. Ofel is het gebied tussen de burcht van David en het gebied van de tempel. Het gebied is zowel op de eerste als de tweede figuur te zien.

Opel op precies dezelfde manier geschreven kan ook duiden op een burcht of een fort. Op die manier wordt het negen keer gebruikt.

2 Kronieken 27:3. Het was Jotam die de Bovenpoort van de tempel van de HEER bouwde. Hij liet ook uitgebreide werkzaamheden verrichten aan de stadsmuur bij de Ofel.

2 Kronieken 33:14. Na zijn terugkeer bouwde hij een tweede muur om de Davidsburcht, westelijk van de Gichonbron in het dal, om de Ofel heen, tot aan de Vispoort. Hij liet de muur hoog optrekken. In alle vestingsteden van Juda stationeerde hij bevelhebbers.

Nehemia 3:26-27. … en de tempelknechten die op de Ofel woonden, aan het gedeelte tot aan de Waterpoort in het oosten en de paleistoren. Ook de inwoners van Tekoa herstelden nog een deel, het deel dat begint bij de grote uitspringende toren en loopt tot de muur van de Ofel.

Nehemia 11:21. De tempelknechten woonden op de Ofel; hun leiders waren Sicha en Gispa.

Bij onderstaande teksten vertaalt de NBG en de HSV met de naam Ofel, maar de NBV21 met burcht en wachttoren. De KJV met forts en towers.

Jesaja 32:14. De vesting zal verlaten liggen, het rumoer van de stad valt stil. Burcht en wachttoren worden ruïnes voor altijd, een lustoord voor wilde ezels, weidegrond voor het vee.

Micha 4:8. En jij, wachttoren over de kudde, vesting van Sion, jij zult je vroegere heerschappij herkrijgen, aan jou, Jeruzalem, behoort het koningschap toe.

Voorbede voor de stad

De set van teksten hieronder is verzameld voor gebruik om de bidden op de muren van Jeruzalem. Ze zijn verzameld door Bart Repko.

Hij gaf als aanwijzing: Spreek ze luidt uit, proclameer ze en zeg erbij: “We herinneren u aan uw woord!”.

De bouwer van Jeruzalem, dat is de HEER, Hij brengt de ballingen van Israël bijeen. Hij geneest wie gebroken zijn en verzorgt hun diepe wonden. (Psalm 147:2,3)

Volk van Jeruzalem, dat op de Sion woont, je hoeft geen tranen meer te storten. Want Hij zal zich over je ontfermen als je weeklaagt, Hij zal antwoorden zodra Hij je hoort. 20 De Heer zal jullie brood geven in de benauwenis en water in de nood. Hij die jullie onderricht gaf, zal zich niet langer verbergen. (Jesaja 30:19,20)

Aanschouw dan Sion, de stad waar wij onze feesten weer vieren. Met eigen ogen zul je Jeruzalem zien, een oord waar je ongestoord kunt wonen, een tent die nooit wordt afgebroken, waarvan geen tentpin ooit wordt uitgerukt en geen touw wordt losgemaakt. Daar toont de HEER ons zijn macht. (Jesaja 33:20,21)

Wie door de HEER bevrijd zijn, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Gejuich en vreugde trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg. (Jesaja 35:10)

Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan, omdat zij een dubbele straf voor haar zonden uit de hand van de HEER heeft ontvangen. (Jesaja 40:2)

Ontwaak, ontwaak, Sion, en bekleed je met je kracht! Bekleed je met je pronkgewaad, Jeruzalem, heilige stad. Nooit meer zul je worden betreden door wie onbesneden is, of onrein. Klop het stof van je af en sta op, Jeruzalem, neem plaats op de troon. De ketenen om je hals zijn losgemaakt, gevangen vrouwe Sion. (Jesaja 52:1,2)

Hoor! Je wachters verheffen hun stem, samen barsten ze uit in gejuich, want ze zien het met eigen ogen: de HEER keert terug naar Sion. Breek uit in gejubel, ruïnes van Jeruzalem, want de HEER troost zijn volk, Hij koopt Jeruzalem vrij. (Jesaja 52:8,9)

Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad en schenk haar bevolking vreugde. Dan zal Ik over Jeruzalem jubelen en Mij verblijden over mijn volk. Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord. (Jesaja 65:18,19)

Maar in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem, die nu verwoest zijn, waar mens noch dier meer leeft, zullen vreugdezangen klinken, zullen bruid en bruidegom van blijdschap zingen, zal te horen zijn: “Loof de HEER van de hemelse machten, want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.” (Jeremia 33:10,11)

De HEER brult vanaf de Sion, Hij gromt vanuit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven. Maar voor zijn volk is de HEER een toevlucht, Israël biedt Hij bescherming. (Joël 4:16)

Nooit gaat Juda ten onder en Jeruzalem blijft altijd bewoond. Zou Ik die bloedschuld niet wreken? O zeker zal Ik die wreken! Want de HEER woont op de Sion. (Joël 4:20,21)

Maar jullie vinden een toevlucht op de Sion; de Sion wordt weer een heilige plaats. (Obadja 17)

Jubel, vrouwe Sion, zing van vreugde, Israël, juich met heel je hart, vrouwe Jeruzalem! De HEER heeft het vonnis over jou tenietgedaan en je vijand verdreven. De HEER, de koning van Israël, is in je midden, je hebt geen kwaad meer te vrezen. (Sefanja 3:14,15)

‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde neem Ik het op voor Jeruzalem en Sion, en ziedend van woede ben Ik op de zelfgenoegzame volken. Ik had mijn toorn immers al weer laten varen, maar zij hebben mijn volk steeds harder aangepakt. Daarom – zegt de HEER – keer Ik vol erbarmen terug naar Jeruzalem.’ (Zacharia 1:14-16)

Opnieuw zullen mijn steden overvloeien van voorspoed, opnieuw zal de HEER Sion troosten, opnieuw zal Hij Jeruzalem uitverkiezen. (Zacharia 1:17)

Op heilige grond zal de HEER het volk van Juda voorgoed in bezit nemen en opnieuw zal Hij Jeruzalem uitverkiezen. Wees stil voor de HEER, al wat leeft, want Hij komt uit zijn heilige woning naar buiten. (Zacharia 2:16,17)

Maar nu heb Ik me voorgenomen om het volk van Jeruzalem en Juda goed te doen. Geef dus de moed niet op. (Zacharia 8:15)

Het huis van David en de inwoners van Jeruzalem echter zal Ik vervullen met een geest van mededogen en inkeer. Ze zullen zich weer naar Mij wenden, en over degene die ze hebben doorstoken, zullen ze weeklagen als bij de rouw om een enig kind; hun verdriet zal zo bitter zijn als het verdriet om een oudste zoon. (Zacharia 12:10)

Zacharia … over vorige meer rondom hoort er ook bij.

Samenvatting

We willen weer opnieuw van Jezus leren. Hij gaf lessen voor een goed leven.