Studie Schepping van de Mens

Adam en Eva waren de eerste mensen. Dat is het verhaal dat iedereen kent. Maar dat is niet helemaal het beeld dat de Bijbel schetst. Deze studie laat zien dat eerst de mens er was, daarna Adam en daarna Eva.

Het tweede deel van de studie gaat over de randvoorwaarden en uitgangspunten voor de mens. En verder zijn verbondenheid met de Schepper, de bedoeling van de mens, de opdracht van de mens, maar ook de hulp, die God geeft.

In de studie hierna gaat het over hoe de mens is ontworpen. Met geest, ziel en lichaam bijvoorbeeld.

1.  De schepping van de vrouw en van Eva.

We beginnen maar met Eva. Dames gaan voor.

De naam Eva komt maar twee keer voor in het Oude Testament en ook maar twee keer in het Nieuwe Testament.

In onze vertalingen wordt ze Eva genoemd. De Statenvertaling noemt haar ‘Heva’ wat meer lijkt op haar Hebreeuwse naam Chavva.

Hoe komen wij dan aan de naam Eva? Dat is door haar naam in het Grieks gekomen. Dat is Εὕα. Deze Griekse naam zou je overigens als “hie-oe-a” uit moeten spreken. Maar goed, als je het Grieks ziet staan, dan lijkt er voor Nederlandse ogen Eva te staan.

De naam Eva komt in het boek Genesis in hoofdstuk 3 voor het eerst voor maar er wordt in Genesis 2 al over haar gesproken, maar daar wordt ze ‘de vrouw’ genoemd.

Hebreeuws of Grieks
woord
Soort
woord
Strong nr. Opmerkingen:
1.חַוָּה
Chavvah
Eigennaam vrouwelijk H2332Moeder van alle levenden.
Komt twee keer voor.
KJV: Eve (2x).
2. Εὕα
Heua
Eigennaam vrouwelijk G2096Eva
Komt twee keer voor.
KJV: Eve (2x).
3.אִשָּׁה
‘ishshah
Zelfstandig naamwoord vrouwelijkH802Vrouw
Komt 780 keer voor in 686
verzen. Voor het eerst in Genesis 2:22.
KJV: wife (425x), woman (324x), one (10x), married (5x), female (2x), miscellaneous (14x).

Ad 1. Chavva חַוָּה 
Het Hebreeuwse woord dat wij met Eva vertalen is Chavva. Het woord is afgeleid van het werkwoord leven לחיות (lichyot) en van woorden als חַי (chai) en חַיִּים (chayim) dat leven betekent. Het is dus niet vreemd om Chavva de moeder van alle levenden te noemen כָּל־חָי (kol chai) zoals in Genesis 3:20 hieronder.

Hieronder de twee teksten waarin haar naam voorkomt:
Genesis 3:20. De mens noemde zijn vrouw Eva (chavva) ; zij is de moeder van alle levenden geworden.
Genesis 4:1. De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER,’ zei ze, ‘heb ik het leven geschonken aan een man!’ 

Ad 2. Εὕα  Heua
Het woord Heua komt ook twee keer voor in het Nieuwe Testament. Als beeld van de verleiding van de gemeente van Korinthe, die ook het geval was bij Eva. En als vergelijking van de volgorde van mannen en vrouwen. Adam was eerst geschapen, daarna Eva. Wat overigens niet betekende dat mannen belangrijker zouden zijn, of hoger.

2 Korintiërs 11:3. Alleen vrees ik dat, zoals Eva door de slang op sluwe wijze bedrogen werd, uw gedachten worden weggelokt van de oprechte en zuivere toewijding aan Christus.
1 Timoteüs 2:13. Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva.

Ad 3. אִשָּׁה ‘ishshah
Ishshah of Iesjais een bijzonder woord volgens een nieuwsbrief, die ik las van eTeacherBiblical. Iesja lijkt de vrouwelijke vorm van iesj het woord voor man in het Hebreeuws. Maar het woord iesja is van een ander woord afgeleid van die van iesj. Het is afgeleid van A.N.SH. (א.נ.ש) dat fragiel en delicaat betekent. Interessant is ook dat het Hebreeuws woord voor vuur  אֵשׁ (esh) er in resoneert.

Genesis 2:22-25. Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij de mens. Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’ Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt. Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.

In Genesis 3, het verhaal van de zondeval, gaat het steeds over de vrouw. Pas nadat God de vloek had uitgesproken, maar nog voor wegzending uit het paradijs wordt de vrouw weer Eva genoemd.

2. De schepping van de mens, de man en Adam.

Het woord Eva komt maar een enkele keer voor. Het Hebreeuwse woord Adam komt wel 552 keer voor in de Bijbel. Hier is opmerkelijk dat men het maar 20 tot 30 keer, afhankelijk van de vertaling, met Adam vertaalt en dat het de andere keren is vertaald met mens of man.

Velen zullen de indruk hebben dat het bij de schepping vooral om Adam en Eva gaat. Maar het woord Eva komt maar weinig voor en als het woord Adam is gebruikt in de Bijbel, dan gaat het vooral om de schepping van de mens en niet zozeer dat die mens de man Adam was.

Even over de Hebreeuwse taal. De Hebreeuwse tekst bestaat uit letters voor medeklinkers. Het Hebreeuws heeft geen letters voor klinkers. Om te voorkomen dat er verwarring over de betekenis of de uitspraak van de woorden zou ontstaan zijn aan het schrift later in de geschiedenis aan de letters tekens toegevoegd.

In de Bijbel wordt Adam met drie letters, de keelklank aleph, de daleth en de mem geschreven. Daar zijn dus door middel van tittels en jota’s allerlei varianten van. Hieronder staan ze.

Woord Soort
woord
Strong
nr.
Opmerkingen:
1. אָדַם
adam
Werkwoord H119Rood worden.
Komt tien keer voor,.
de eerste keer in Exodus 25:5
KJV: dyed red (5x), red 4 ruddy (1x).
2. אָדָם
adaam
Zelfstandig naamwoord
mannelijk
H120 Mens, man, Adam.
Komt 552 keer voor. De eerste keer Genesis 1:26 God zei: laat ons mensen maken .
KJV: man (408x), men (121x), Adam (13x), person(s) (8x), common sort (with H7230) (1x), hypocrite (1x).
3. אָדָם  adaam Eigennaam mannelijk H121 Adam
Komt 9 keer voor, de eerste keren in Genesis 2:21 en Genesis 3:17.
KJV: Adam (9x). waarvan het een keer over de stad Adam gaat
4. אָדֹם  adoomBijvoeglijk
naamwoord
H122 Roodachtig.
Komt 9 keer voor, de eerste keer in Genesis 25:30 als het gaat om de rode linzenmoes die Ezau van Jacob wilde hebben. De landstreek Edom is hier naar genoemd. Daar woonden de afstammelingen van Ezau.
KJV: red (8x), ruddy (1x).
5. אֱדֹם
‘Edom
Eigennaam mannelijk H123Edom, de naam van de streek van de Edomieten.
Komt 100 keer in de Bijbel voor.
KJV: Edom (87x), Edomites (9x), Idumea (4x).
6. אֲדָמָה ‘adamah Zelfstandig naamwoord
vrouwelijk
H127Grond, aarde, stuk land, gebied. Komt 225 keer voor. Het woord komt voor het eerst voor in Genesis 1:25. Als het gaat over het “alles wat op de aardbodem rondkruipt”.
De KJV: land(s) (125x), earth (53x), ground (43x), country (1x), husbandman (2x), husbandry (1x).

2. אָדָם adaam
Volgens Gesenius’ Hebrew-Chaldee Lexicon betekent dit woord adaam in de eerste plaats mens of de mensheid.

In Klaagliederen 7:28 wordt het woord gebruikt voor een man, tegenover het woord vrouw. En als derde wordt het gebruikt voor iedereen. Met een tekentje erbij betekent het trouwens niemand.

6. אֲדָמָה ‘adamah
Van de woorden in deze tabel wordt dit woord als eerste gebruikt en wel in Genesis 1:25. Het betekent ‘aarde’, ‘grond’ of ‘aardbodem’. Daarna kwam in vers 26 adam de mens. Die mens was en is ook van de aarde.

Daarnaast is er een verbinding van het woord adam met adoom dat ‘rood’ of ‘roodachtig’ betekent. Zou dat duiden op de kleur van de aarde, die op diverse plekken roodachtig is? Een roodachtige kleur is zeker het geval in het gebergte van Edom, daar aan de overkant van de rode zee, van Israël uit gezien weliswaar.

2.1. Mens of Adam?

Als je het Hebreeuwse leest, dan staat er ‘adam’. Als je moet vertalen, dan moet je kiezen, waar gaat het over de mens in het algemeen en wanneer gaat het over die eerste mens, die later zonen kreeg en waarvan gezegd werd dat hij de vader van Enos was en waarvan ook de leeftijd is vermeld toen hij stierf.

De eerste zeven keer dat het woord ‘adam’ in de Hebreeuwse tekst staat, vertaalt zowel de NBV, de NBG, de SV en de HSV met het woord mens. Vanaf Genesis 2:19 vertalen de SV en de HSV en trouwens ook de KJV met Adam, de eerste mens.

De NBV introduceert de mens Adam pas in Genesis 4:1, terwijl de NBG pas in Genesis 4:25 de mens Adam voor het eerst noemt. Dat heeft tot gevolg dat in dat de eerste mens Adam in sommigen vertalingen veel meer voorkomt dan in andere vertalingen.

Hieronder een overzicht.

  OT NT 1ste keer in:
NBV 9 keer 8 keer Genesis 4:1, de 2de keer is Genesis 4:25
NBG 9 keer 8 keer Genesis 4:25
HSV 24 keer 9 keer Genesis 2:19
SV 22 keer 9 keer Genesis 2:19

De NBV heeft de vrijheid genomen om dat ene Hebreeuwse woord ook een keer dubbel te vertalen.
Genesis 4:1. De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER,’ zei ze, ‘heb ik het leven geschonken- aan een man!’  

Genesis 2:19 is het moment als de dieren voor de mens worden gesteld, zodat de mens hen een naam kan geven. In sommige vertalingen doet die eerste mens dat in andere vertalingen, is dat de mens, als vertegenwoordiger van de mensheid.

3. Het ontwerp mens

De eerste hoofdstukken van de Bijbel zetten het concept mens neer. Hieronder de teksten uit het boek Genesis, die van belang zijn. Ik zou ze ook per onderwerp kunnen weergeven, maar het lastige is dat net als in een touw de onderwerpen in de tekst met elkaar vervlochten zijn. Dat is niet voor niets gedaan natuurlijk, de verschillende onderwerpen zijn met elkaar verweven.

Genesis 1:26-29. God zei: ‘Laten wij mensen (adam H120) maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken;  zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ God schiep de mens (adam H120) als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn.

Genesis 2:7-8. Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. God, de HEER, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt.

Genesis 2:15-17. God, de HEER, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’

Genesis 2:18-25. God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste. Toen liet God, de HEER, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees. Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij de mens. Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’ Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt. Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.

Genesis 3 gaat over de val van de mens en zijn vrouw en Genesis 4 de kinderen die de mens en zijn vrouw, Adam en Eva krijgen. (ook citeren)

3.1. God maakte, schiep, vormde en bouwde de mens

In het boek Genesis worden drie woorden gebruikt over wat God deed om de mens te voorschijn te laten komen:
Genesis 1:26a. God zei: ‘Laten wij mensen (adam H120) maken (asah H6213)
Genesis 1:27a. God schiep (bara H1254) de mens (adam H120)
Genesis 2:7. Toen maakte (yatsar H3335) God, de HEER, de mens (adam H120)
Genesis 2:8b. … daarin plaatste hij de mens (adam H120) die hij had gemaakt (yatsar H3335)
Genesis 2:22. Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde (banah H1129) God, de HEER, een vrouw (iesja) en hij bracht haar bij de mens.

Woord Soort
woord
Strong
nr.
Opmerkingen:
1. עָשָׂה
`asah
Werkwoord H6213Doen, fashion, accomplish, maken. Het is een algemeen woord, het komt 2638 keer voor in de bijbel. Genesis 1:7 (God het firmament), 11 (de vruchtbomen de vruchten).
2. בָּרָא 
bara’
Werkwoord H1254 Creëren, scheppen, vormen. Het woord komt 54 keer in de bijbel voor. In Genesis 1:1 , 21 en 27.
3. יָצַר 
yatsar
Werkwoord H3335 Vormen of formeren. Het woord komt 62 keer in de bijbel voor. Driemaal in de Torah in Genesis 2:7, 8 (over de mens) en 19 (over de dieren)
4. בָּנָה 
banah
Werkwoord H1129 Een algemeen woord voor bouwen. Kaïn bouwde een stad, Noach een altaar, Het woord komt 378 keer voor.

In het woord Bara ligt het accent op het nieuwe, het unieke en bij Yatsar ligt het accent op de activiteit, het bezig zijn, het werken.

Bara en yatser worden in de bijbel zes keer als woordpaar gebruikt namelijk in Jesaja 43:1 en 7, 45: 7 en 18 (2x) en Amos 4:13. Mooi om na te lezen. Maar eenmaal worden alle drie de woorden gebruikt en wel door de man met super veel inzicht, Jesaja.
Jesaja 45:18. Dit zegt de HEER, die de hemel geschapen (bara) heeft – hij is God! –, die de aarde gemaakt (asah) en gevormd (yatser) heeft en die haar heeft gegrondvest –niet als chaos schiep (bara) hij de aarde, maar om te bewonen heeft hij haar gevormd (yatser): Ik ben de HEER, er is geen ander.

Voor het ontstaan van de mens hanteert de Bijbel drie verschillende woorden en daarna voor de vrouw nog een vierde woord. Dat geeft wel aan wat een enorme klus het was om tot een mens te komen. En dat was het ook. Lichamelijk lijken we als mensen wel op zoogdieren. Hoewel die ook al ingewikkeld zijn. En we hebben emoties die ook wel bij sommige zoogdieren terug komen. Maar we zijn ook inventief, creatief, intuïtief, hebben gevoel voor schoonheid, hebben gevoel voor tijd en plaats en noem maar op. Mensen kinderen wat een briljant topstuk van de schepping. 

3.2. De mens lijkt op God

Over de mate waarin we op God lijken staan twee verschillende woorden in de Bijbel:
Genesis 1:26a. God zei: ‘Laten wij mensen (adam, H120) maken die ons evenbeeld (tselem) zijn, die op ons lijken (demuth).
Genesis 1:27a. God schiep de mens (adam, H120) als zijn evenbeeld (tselem), als evenbeeld (tselem) van God schiep hij hem.

In  het vijfde hoofdstuk van Genesis worden deze teksten nog weer even in herinnering geroepen.
Genesis 5:1. Dit is de lijst van Adams (adam H121) nakomelingen. Toen God Adam schiep, de mens (adam H120), maakte hij hem zo dat hij leek (demuth) op God.
Genesis 5:3. Toen Adam (adam H121) 130 jaar was, verwekte hij een zoon die op hem leek (demuth), die zijn evenbeeld (tselem) was. Hij noemde hem Set.

Woord Soort woordStrong nr. Opmerkingen:
1. צֶלֶם
tselem
Zelfstandig naamwoord
mannelijk
H6754 Afbeelding.
Komt 17 keer voor in 15 verzen.
KJV: image (16x), vain shew (1x).
2. דְּמוּת
dĕmuwth
Bijwoord en zelfstandig
naamwoord
vrouwelijk
H1823Gelijkenis.
Komt 25 keer voor in 22 verzen
KJV: likeness (19x), similitude (2x), like (2x), manner (1x), fashion (1x).

 1. צֶלֶם tselem
Het woord kun je vertalen met ‘image’, afbeelding. Komt van een werkwoord dat beschaduwen betekent.

Het woord komt 17 keer voor in de bijbel. De eerste drie keer in Genesis 1: 26 en 27, zie hierboven.

En verder in Genesis 5:3 waar Adam een zoon ‘verwekt’ naar zijn gelijkenis en afbeelding. In Genesis 9:6 staat nog eens dat God de mens naar zijn tselem heeft gemaakt.

Een afbeelding van een god of een dier om die te vereren wordt ook een tselem genoemd. In 1 Samuel 6:5  en 11 gaat het om afbeeldingen van gezwellen en muizen, die de Filistijnen aan Israël willen geven als genoegdoening.

Het woord tselem kan ook de betekenis van een schaduw hebben zoals in Psalm 39:7 (de mens, niet meer dan een schaduw is zijn levenspad) en Psalm 73:20 (dwazen en boosdoeners zijn als beelden van een nachtmerrie, die God verjaagt)

2. דְּמוּת dĕmuwth
Het woord demuth komt van het werkwoord damah wat ‘lijken op, zijn als, worden als’ betekent.

Van de 25 keer dat het woord voorkomt komt het als eerste in Genesis 1:26 voor daarna in Genesis 5:1 en 3.

2 Kronieken 4:3. De NBG vertaalt het met ‘afbeeldingen (demuwth) van runderen’, vormen die op runderen leken.
2 Koningen 16:10. Koning Achaz ging naar Damascus om koning Tiglatpileser van Assyrië te ontmoeten. Toen hij het altaar in Damascus zag, stuurde hij een model (demuth) en een gedetailleerd bouwplan naar de priester Uria.
Ezechiël 1:16. De wielen glansden alsof ze gemaakt waren van turkoois en ze hadden alle vier dezelfde vorm (demuwth): ze leken op een wiel midden in een ander wiel.

Zoals kinderen lijken op hun ouders zo lijken wij op de Schepper. Met twee verschillende woorden geeft de Bijbel dit aan. Mocht er mensen zijn die hier over twijfelen. Met twee getuigen, die hetzelfde beweren, kun je een rechtszaak winnen.

3.3. De mens gaat heerschappij voeren

Genesis 1:26b. … zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’
Genesis 1:28c. … en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’

Woord Soort
woord
Strong nummer Opmerkingen:
1. כָּבַשׁ
kabash
Werkwoord H3533 Onderwerpen.
Komt 15 keer voor in 13 verzen. In Genesis 1:28 onderwerpen van land/aarde (erets). Daarna, in Numeri 2x en Jozua 1x gaat het over onderwerpen van een land (erets). En dan in 2 Samuel over David die volken (goim) onderwerpt. 
2. רָדָה
radah
Werkwoord H7287Regeren, heersen.
Komt 27 keer voor in 25 verzen. In Genesis 1:26 en 28 zoals hierboven komt het woord twee keer voor. Daarna in Leviticus 25 3x over slaven aansturen, Israëlieten aan sturen. En Leviticus 26:17 als je Gods geboden niet onderhoudt zullen je vijanden je regeren.

De mens heeft tegen de mens gesproken dat hij de aarde onderwerp en regeert over de vissen van de zee, de vogels van de hemel en de dieren op aarde.

3.4. De mens is mannelijk en vrouwelijk

Genesis 1:27. God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.

Genesis 5:1-2. “Toen God Adam schiep, de mens, maakte hij hem zo dat hij leek op God. Mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Hij zegende hen en noemde hen mens toen zij werden geschapen”.

WoordSoort woord Strong nummer Opmerkingen:
1. זָכָר
zakar
Bijvoeglijk naamwoord
Zelfstandig naamwoord
mannelijk.
H2145Mannelijk.
Komt van het werkwoord zakar dat herinneren betekent.
Komt 81 keer voor in 80 verzen.
Genesis 1:27, Genesis 5:2.
KJV: male (67x), man (7x), child (4x), mankind (2x), him (1x).
2. נְקֵבָה nĕqebah Zelfstandig naamwoord
vrouwelijk
H5347Vrouw, vrouwelijk.
Komt van naqab dat steken, prikken betekent.
Komt 22 keer in 22 verzen voor.
KJV: female (18x), woman (3x), maid (1x).

God schiep de mensen zoals Hijzelf ook is, zowel mannelijk als vrouwelijk. Maar de mens kwam niet goed uit de verf. Hij voelde zich eenzaam. Toen heeft God de mens als het ware in tweeën verdeeld, beter gezegd, het vrouwelijke, of nog beter gezegd, zoals de bijbel dat definieert, de vrouw uit de mens Adam gehaald. Pas toen God de vrouw uit de mens schiep, spreekt de bijbel van een man. In het Hebreeuws is dat het woord iesj, het woord voor de vrouw is iesja.

Het boek Herstel de Liefde van Mario Bergner, bladzijde 52 tot 57 stelt dat mannen ook een vrouwelijke kant hebben en vrouwen ook een mannelijke kant.

Dat is te zien aan de typische mannelijke kenmerken zoals leiderschap, kracht, stoerheid, die een vrouw ook kan bezitten. En de typisch vrouwelijke kenmerken zoals creativiteit, intuïtie en zorgzaamheid,die de man ook kan bezitten.

Het lijkt mooi als een man ook aandacht heeft voor zijn vrouwelijke kant en een vrouw voor haar mannelijke kant. Om zo een completer mens te worden.

3.5. God zegende de mens

Genesis 1: 28a. Hij zegende hen …

Woord Strong
nummer
Soort woord Opmerkingen:
בָּרַךְ barak H1288Bijvoeglijk naamwoord.
Zelfstandig naamwoord.
Zegenen/knielen.
Komt 331 keer in 289 verzen voor.

Eerst wordt de waterdieren en de vogels gezegend in Genesis 1:22, daarna de mensen in 1:28. Dan wordt de zevende dag, de sabbat gezegend in Genesis 2:3 en dan in Genesis 5:2 wordt opnieuw gesproken over het zegenen van de mensen.

God blijft de mensen zegenen. Aäron moest de zegen van God iedere dag op het volk Israël leggen. Zie Numeri 6.  De apostel Paulus schrijft in zijn brieven zegenbeden van God aan de gemeente, zoals in 1 Korintiërs 13:13.

We kunnen ook lezen dat God vloeken aan de mensen voorkomt zoals in het geval Bileam het volk Israël zou moeten vervloeken. 

3.6. De mens dient vruchtbaar te zijn en talrijk te worden

Genesis 1:28b. …en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde …

Woord Soort woord Strong nr. Opmerkingen:
1. פָּרָה
parah
Werkwoord H6509 Vrucht dragen, vruchtbaar zijn. Komt 30 keer in 28 verzen voor.
Dit is een typisch woord voor Genesis, het komt totaal 14 keer in Genesis voor.
Genesis 1:22 en 28, over de mens.
Genesis 8:17 over de dieren na de zondvloed.
Genesis 9:1 en 17 over de mens.
Genesis 17:6 2x over Abraham.
Genesis 17:20 over Ismaël. Genesis 26:22 over Isaak en de mensen bij hem.
Genesis 28:3 over. Genesis 35:11 over. Genesis
2. רָבָה
rabah
Werkwoord H7235 Groot worden.
Komt 227 keer in 211 verzen voor waarvan 24 keer in het boek Genesis. Voor een deel in combinatie met vruchtbaar zijn zoals in Genesis 1:22 (x) en 28, Genesis 8:17, Genesis 9:1 en 7 (2x). Maar ook in geval van de smart van kinderen baren, 2x in Genesis 3:16. Het water tijdens de zondvloed in Genesis 7.
3. מָלָא
male’
Werkwoord H4390 Vullen.
Komt 249 keer in 240 verzen voor.
Genesis 1:22 en 28. Genesis 6:11 en 13, de aarde werd gevuld met geweld. Genesis 9:1. 


De tekst van het boek Genesis zou ook als volgt kunnen vertalen: “Draag vrucht, wordt groter en vul de aarde”. In Genesis 1:28 staat het als een opdracht aan de mens. Maar in andere gevallen is het als een belofte geschreven. Zoals aan Abraham: ik zal je een groot nageslacht geven. De belofte van God en de opdracht aan de mens overlapt in het denken van de Bijbel. De HEER en de mens is immers een eenheid!?

3.7. De zorg van God voor de mens

Al in het eerste hoofdstuk van de Bijbel wordt de zorg van God voor de mens beschreven.

Genesis 1:29-30. Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel (oklah) zijn. Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel (oklah).’ En zo gebeurde het.

Het vervolg van deze paragraaf doet een poging om helder te krijgen wat we onder de zaaddragende planten en de wezens, die op aarde kruipen moeten verstaan. Hieronder staan de afzonderlijke woorden in de tabel.

Woord Soort woord Strong Opmerkingen:
1.אָכְלָה  oklah Vrouwelijk zelfstandig naamwoord H402 Voedsel.
Komt 18 keer in 18 verzen voor.
KJV: meat (8x), devour (3x), fuel (3x), eat (2x), consume (1x), food (1x).
2.עֵשֶׂב`eseb
זָרַע  zara`
זֶרַע  zera`.
Zelfstandig naamwoord
mannelijk Werkwoord     Zelfstandig naamwoord vrouwelijk
H6212     H2232     H2233 Groene planten, gras met zaaiend zaad.
KJV: herb (17x), grass (16x).
Zaaien.
KJV: sow (47x), yielding (3x), sower (2x), bearing (1x), conceive (1x), seed (1x), set (1x).
Zaad.
KJV: seed (221x), child (2x), carnally (with H7902) (2x), carnally (1x), fruitful (1x), seedtime (1x), sowing time (1x).
3.עֵץ `ets
פְּרִי pĕriy
זָרַע zara` ֶרַע zera`
Zelfstandig naamwoord mannelijk Zelfstandig naamwoord mannelijk   H6086       H6529   H2232 H2231 Boom.
KJV: tree (162x), wood (107x), timber (23x), stick (14x), gallows (8x), staff (4x), stock (4x), carpenter (with H2796) (2x), branches (1x), helve (1x), planks (1x), stalks (1x).
Vrucht.
KJV: fruit (113x), fruitful (2x), boughs (1x), firstfruits (with H7225) (1x), reward (1x), fruit thereof (1x). In Genesis 1:11, 12 en 29
4.רֶמֶשׂ
remes
Collectief zelfstandig naamwoord
mannelijk
H7431 Kruipende, lopende en zwemmende dieren.
Komt 17 keer in 17 verzen voor. KJV: creeping thing (15x), moving thing (1x), that creepeth (1x).
  רָמַשׂ
ramas
Werkwoord H7430 Kruipen .
Komt 17 keer in 17 verzen voor. KJV: creep (11x), move (6x).

1. אָכְלָה  ‘oklah voedsel
Toelichting bij het gebruik van het woord meat in de KJV vertaling. Het Engelse woord meat heeft ook de betekenis van voedsel. Ook vegetarische zaken vallen onder dit voedsel. In Genesis 6:21 gaat het over het groene voedsel voor de dieren, die in de ark zullen worden opgenomen.

Genesis 9:1-3. Toen zegende God ​Noach​ en zijn zonen, hij zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en bevolk de aarde. De dieren die in het wild leven, de vogels van de hemel, de dieren die op de aardbodem rondkruipen en de vissen van de zee zullen ​ontzag​ en angst voor jullie voelen – ze zijn in jullie macht. Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel [oklah] dienen; dit alles geef ik je, zoals ik je ook de planten heb gegeven.

In Exodus 16:15 wordt manna als voedsel genoemd. In Leviticus 25:6 wordt genoemd dat wat in een rustjaar groeit, voedsel is voor allen.

2.עֵשֶׂב  `eseb זָרַע  zara` זֶרַע  zera`. Gras zaaien zaad
De vertaling met gras lijkt me niet zo correct. Mij lijkt de vertaling groene planten met zaaiend zaad de meest passende.

Het begrip met die drie woorden komt totaal in drie verzen voor. De beide andere keren in eerdere verzen in Genesis 1. Het groen dat geschapen werd op de derde dag van de schepping.

Genesis 1:11-13. God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het. De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.

3. עֵץ `ets פְּרִי pĕriy זָרַע zara` ֶרַע zera`
Was het vorige begrip al ingewikkeld. Deze is nog ingewikkelder. Er komen vier woorden in voor, waarvan zara en zera ook in het vorige begrip voorkomt. Maar er staat in de zin twee keer het woord voor boom. Letterlijk vertaalt is de Hebreeuwse tekst als volgt: “Iedere boom waarin de vruchten van een boom zaad/vrucht leveren aan jou om voedsel te zijn”. Er ligt een nadruk op boom en op vrucht.

4.  רֶמֶשׂ  remes en רָמַשׂ ramas
Zowel het werkwoord ramas als het zelfstandig naamwoord remes komen 17 keer voor in de Bijbel. Beiden tien keer in  het boek Genesis. Het is wel zoeken wat met kruipende zielen

Hier de teksten van Genesis 1 waar deze woorden in voorkomen.
Genesis 1:21. En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.

Genesis 1:24-26. God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: ​vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun soort, het ​vee​ naar hun soort, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort. En God zag dat het goed was. En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het ​vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!

Genesis 1:28-30. Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het.

Genesis 6:20. Van alle soorten vogels, van alle soorten ​vee​ en van alles wat op de aardbodem rondkruipt, zullen er twee naar je toe komen; die zullen in leven blijven.

Genesis 7:8-9. Van de reine en de onreine dieren, van de vogels en van alles wat op de aardbodem rondkruipt, kwamen er telkens twee bij ​Noach​ in de ark, een mannetje en een wijfje, in overeenstemming met wat God hem had opgedragen.

Genesis 9:1-3. Toen zegende God ​Noach​ en zijn zonen, hij zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en bevolk de aarde. De dieren die in het wild leven, de vogels van de hemel, de dieren die op de aardbodem rondkruipen en de vissen van de zee zullen ​ontzag​ en angst voor jullie voelen – ze zijn in jullie macht. Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen; dit alles geef ik je, zoals ik je ook de planten heb gegeven.

Wat zeggen deze teksten over wat nu blijkbaar die kruipende of bewegende wezen zijn?
Kruipende wezens in het water. Genesis 1:21.
Vee, wilde dieren en kruipende dieren op de aardbodem. Genesis 1:24-26 en 28-30, Genesis 7:14, 21 en 23.
Vee en alles wat rondkruipt. Genesis 6:20 en 8:17.
Dieren, die in het wild leven en dieren die rondkruipen. Genesis 9:2.
Reine en onreine dieren, vogels en alles wat op de aardbodem rondkruipt. Genesis 7:8-9,8:19.

Opmerkelijk:
In Genesis 9 staat voor het eerst dat de kruipende dieren tot voedsel mogen dienen.

Zoals het in Genesis 1:29 staat zijn groene planten en hun zaad voor alle levende wezens zijn en de vruchten van de vruchtbomen voor de mensen zijn.

We willen weer opnieuw van Jezus leren. Hij gaf lessen voor een goed leven.