Studie Discipelschap

Een belangrijk gegeven in de Bijbel is leren. In de studie gaat het over wat de Bijbel zegt over de relatie rabbi, meester, leraar en zijn volgelingen, discipelen en leerlingen.

We kijken allereerst naar wat het Nieuwe Testament er over zegt. We kennen natuurlijk allemaal wel Jezus en zijn discipelen. Daarna kijken we wat het Oude Testament er over zegt.

Overzicht woorden in het Nieuwe Testament

Voor meester, leraar worden twee verschillende woorden, de Joodse naam en het Griekse woord.

Voor leerling is er ook nog het begrip ‘de twaalven’, dat waren de twaalf volgelingen van Jezus, die het meest dicht om Hem heen stonden.

WoordSoort woordStrongOpmerkingen:
1διδάσκαλος didaskalosZelfstandig
naamwoord
mannelijk
G1320
SB1182
Meester
Komt 58 keer voor in 57 verzen
KJV: Master (Jesus) (40x), teacher (10x), master (7x), doctor (1x).
ῥαββί rhabbiZelfstandig
naamwoord
mannelijk
G4461
SB3915
Rabbi
Komt 17 keer in 15 verzen voor.
KJV: Master (Christ) (9x), Rabbi (Christ) (5x), rabbi (3x).
2μαθητής
mathētēs
Zelfstandig
naamwoord
mannelijk
G3101
SB2747
Komt 268 keer voor in 252 verzen
KJV: disciple (268x), variations of ‘disciple’ (1x).
3δώδεκα dōdekaGetal?G1427Twaalf.
Komt 72 keer voor in 59 verzen.
KJV: twelve (72x).

Meester, rabbi

Het woord didaskalos komt in 47 verzen in de evangeliën voor en dan nog in tien verzen van alle andere boeken. Het woord rabbi komt in 15 verzen in drie verschillende boeken. Acht keer in het evangelie van Johannes, Matteüs vier keer en Marcus drie keer.

Hier gaat het om leraren in de tempel.
Lucas 2:46. Na drie dagen vonden ze hem in de tempel, waar hij tussen de leraren zat, terwijl hij naar hen luisterde en hun vragen stelde. 

En hier is de meester Johannes de Doper.
Lucas 3:12. Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen, en die vroegen hem: ‘Meester, wat moeten wij doen?’

Dit gebeurde in de tijd dat er grote menigten op Jezus afkwamen.
Matteüs 8:19. Maar een schriftgeleerde kwam op hem af en zei: ‘Meester, ik zal u volgen waarheen u ook gaat.’
Toelichting: Jezus wijst hem op het oncomfortabele leven van een leerling van hem.

Matteüs 9:11. De farizeeën zagen dit en zeiden tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?’

Matteüs 10:24-25. Een leerling staat niet boven zijn leermeester en een slaaf niet boven zijn heer. Een leerling moet er genoegen mee nemen te worden als zijn leermeester, en de slaaf als zijn heer. Als ze de heer des huizes al Beëlzebul genoemd hebben, waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten wel niet uitmaken?

Matteüs 12:38. Daarop reageerden enkele schriftgeleerden en farizeeën met een vraag: ‘Meester, we zouden graag een teken van u zien.’

Matteüs 17:24. Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen, kwamen de inners van de tempelbelasting bij Petrus en vroegen: ‘Draagt uw meester de dubbeldrachme niet af?’

Matteüs 19:16. Nu kwam er iemand naar Jezus toe met de vraag: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’

Matteüs 22:16. Ze stuurden enkele van hun leerlingen samen met een aantal herodianen naar hem toe, met de vraag: ‘Meester, wij weten dat u oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen, u kijkt immers niemand naar de ogen.

Matteüs 22:24. ‘Meester, Mozes heeft gezegd: “Indien iemand kinderloos sterft, moet zijn broer met de weduwe trouwen omdat hij haar zwager is, en voor zijn broer nakomelingen verwekken.”

Matteüs 22:36. ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’

Dit zegt Jezus over de schriftgeleerden en Farizeeën.
Matteüs 23:5-7. Al hun daden zijn erop gericht om door de mensen gezien te worden. Ze verbreden immers hun gebedsriemen en maken de kwastjes aan hun kleren langer, ze verlangen een ereplaats bij feestmaaltijden en in synagogen, en hechten eraan op het marktplein eerbiedig te worden begroet en door de mensen rabbi te worden genoemd.
Toelichting: de Blue Letter Bible hanteert een Griekse tekst waar twee keer het woord rabbi staat. Ze hechten er aan om ‘rabbi, rabbi’genoemd te worden.

Daarom zegt Jezus dit
Matteüs 23:8. Jullie moeten je niet rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één meester, en jullie zijn elkaars broeders en zusters.
Toelichting: De Blue Letter Bible hanteert handschriften waar hetzelfde woord staat in vers 10 hieronder. Andere vertalingen baseren zich op handschriften waar didaskalos staat.

Matteüs 23:10. Laat je ook niet leraar noemen, want jullie hebben maar één leraar, de messias.
Toelichting: hier wordt twee keer het woord G2519 is καθηγητής (kathēgētēs) gebruikt. Het lijkt op ons woord catecheet.

Matteüs 26:18. Hij zei: ‘Ga naar de stad en zeg tegen de persoon die jullie bekend is: “De meester zegt: ‘Mijn tijd is nabij, bij jou wil ik met mijn leerlingen het pesachmaal gebruiken.’”’

Vervolgens zegt Judas twee keer rabbi tegen Jezus.
Matteüs 26:25. Toen zei Judas, die hem zou uitleveren: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’ Jezus antwoordde: ‘Jij zegt het.’
Matteüs 26:49-50. Hij liep recht op Jezus af, zei: ‘Gegroet, rabbi!’ en kuste hem. Jezus zei tegen hem: ‘Vriend, ben je daarvoor gekomen?’ Daarop kwam de bende naderbij, ze grepen Jezus vast en namen hem gevangen.
Marcus 14:45. Toen hij eraan kwam, liep hij recht op Jezus af, zei: ‘Rabbi!’ en kuste hem. 

Marcus 4:38. Maar hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden: ‘Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?’

Marcus 5:35. Nog voor hij uitgesproken was, kwamen enkele mensen tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven, waarom valt u de meester nog lastig?’

Bij de verheerlijking op de berg.
Marcus 9:5. Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia.’ 

Marcus 9:17. Iemand uit de menigte antwoordde: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar u gebracht omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten;

Marcus 9:38. Johannes zei tegen hem: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.’

Marcus 10:17. Toen hij zijn weg vervolgde, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel en vroeg: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
Marcus 10:20. Toen zei de man: ‘Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden.’

Marcus 10:35. Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen bij hem en zeiden: ‘Meester, we willen dat u voor ons doet wat we u vragen.’

Marcus 11:21. Petrus herinnerde zich het voorval en zei: ‘Rabbi, kijk, de vijgenboom die u vervloekt hebt, is verdord.’ 

Marcus 12:14. Toen ze bij hem gekomen waren, zeiden ze tegen hem: ‘Meester, we weten dat u oprecht bent en dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen. U kijkt niemand naar de ogen, maar geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God. Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten we betalen of niet?’

Marcus 12:19. ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: “Als iemand sterft en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen, moet zijn broer die vrouw bij zich nemen en nakomelingen verwekken voor zijn broer.”

Marcus 12:32. De schriftgeleerde zei tegen hem: ‘Inderdaad, meester, wat u zegt is waar: hij alleen is God en er is geen andere god dan hij,

Marcus 13:1. Toen hij de tempel verliet, zei een van zijn leerlingen tegen hem: ‘Meester, kijk eens, wat een enorme stenen en wat een imposante gebouwen!’
Marcus 14:14. … en wanneer hij ergens binnengaat, moeten jullie tegen de heer des huizes zeggen: “De meester vraagt: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’”

Lucas 6:40. Een leerling staat niet boven zijn leermeester; pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester.

Lucas 7:40. Maar Jezus zei tegen hem: ‘Simon, ik heb je iets te zeggen.’ ‘Meester, spreek!’ zei hij.

Lucas 8:49. Nog voor hij uitgesproken was, kwam er iemand uit het huis van Jaïrus tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven. Val de meester niet langer lastig.’

Lucas 9:38. Opeens begon een man in de menigte luid te roepen: ‘Meester, ik smeek u, help mijn zoon, want hij is mijn enige kind.

Lucas 10:25. Er kwam een wetgeleerde die hem op de proef wilde stellen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’

Lucas 11:45. Daarop zei een wetgeleerde tegen hem: ‘Meester, door die dingen te zeggen beledigt u ook ons.’

Lucas 12:13. Iemand uit de menigte zei tegen hem: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen!’

Lucas 18:18. Een hooggeplaatst persoon vroeg hem: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’

Lucas 19:39. Enkele farizeeën in de menigte zeiden tegen Jezus: ‘Meester, berisp uw leerlingen.’

Lucas 20:21. Ze vroegen hem het volgende: ‘Meester, we weten dat wat u zegt en leert juist is en dat u spreekt zonder aanzien des persoons, en dat u in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God.

Lucas 20:28. ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man sterft zonder dat zijn vrouw kinderen heeft gebaard, moet zijn broer met die vrouw trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer.

Lucas 20:39. Enkele schriftgeleerden zeiden: ‘Meester, wat u zegt is juist.’

Lucas 21:7. Ze stelden hem toen de vraag: ‘Meester, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we het herkennen?’

Lucas 22:11. … en zeg tegen de heer van dat huis: “De meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’”

Johannes 1:38. Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat zoeken jullie?’ ‘Rabbi,’ zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert u?’

Johannes 1:49. Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’ zei Natanaël. 

Johannes 3:2. Hij kwam in de nacht naar Jezus toe. ‘Rabbi,’ zei hij, ‘wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht.’ 

Johannes 3:10. ‘Begrijpt u dit niet,’ zei Jezus, ‘terwijl u een leraar van Israël bent?

Johannes 3:26. Ze gingen naar Johannes en zeiden tegen hem: ‘Rabbi, de man die bij u aan de overkant van de Jordaan was, over wie u een getuigenis afgelegd hebt, is aan het dopen en iedereen gaat naar hem toe!’

Johannes 4:31-32. Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘Rabbi, u moet iets eten.’ Maar hij zei: ‘Ik heb voedsel dat jullie niet kennen.’ 

Dit is de doelstelling van discipelschap oftewel het volgen van rabbi Jezus.
Johannes 6:25-29. Ze vonden hem aan de overkant van het meer en vroegen: ‘Rabbi, wanneer bent u hier gekomen?’ Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: u zoekt me niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent. U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf, heeft hem die volmacht gegeven.’ Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’ ‘Dit moet u voor God doen: geloven in hem die hij gezonden heeft,’ antwoordde Jezus.

Johannes 8:4. …zeiden tegen Jezus: ‘Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt toen ze overspel pleegde.

Dit is een vraag naar openbaring, die ze verwachten van rabbi Jezus.
Johannes 9:1-2. In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 

Dit geeft wel aan de betrokken relatie tussen de leerlingen en de rabbi.
Johannes 11:8. ‘Maar rabbi,’ protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naartoe?’

Johannes 11:28. Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’

Johannes 13:13-14. ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen.

Johannes 20:16. Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.)

Handelingen 13:1. Er waren in de gemeente van Antiochië profeten en leraren, onder wie Barnabas, Simeon die Niger werd genoemd, Lucius de Cyreneeër, Manaën, een jeugdvriend van de tetrarch Herodes, en Saulus.

Romeinen 2:17-20. En u die uzelf een Jood noemt, op de wet vertrouwt en u op God laat voorstaan; u die zijn wil kent en zo uitstekend weet waar het op aankomt, omdat u wordt onderwezen door de wet; u die ervan overtuigd bent dat u zelf een leidsman van blinden bent, een licht voor hen die in het duister zijn, een opvoeder van onverstandigen, een leraar van onwetenden, omdat u in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid hebt – u die anderen onderwijst, onderwijst u uzelf eigenlijk wel? U zegt dat men niet stelen mag, maar steelt u niet zelf?

1 Korintiërs 12:27-31. Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit. God heeft in de gemeente aan allerlei mensen een plaats gegeven: ten eerste aan apostelen, ten tweede aan profeten en ten derde aan leraren. Dan is er het vermogen om wonderen te verrichten, de gave om te genezen en het vermogen om bijstand te verlenen, leiding te geven of in klanktaal te spreken. Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? Of kan iedereen genezen? Kan iedereen in klanktaal spreken en kan iedereen die uitleggen? Richt u op de hoogste gaven. Maar eerst wijs ik u een weg die nog voortreffelijker is.

Efeziërs 4:11-12. En hij is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren, om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd.

1 Timoteüs 2:7. Om dit te verkondigen ben ik als apostel aangesteld. Ik spreek de waarheid, ik lieg niet – ik ben aangesteld als leraar voor de heidenen om hun het geloof en de waarheid te onderwijzen.

2 Timoteüs 1:11-12. Van dit evangelie ben ik verkondiger, apostel en leraar; daarom moet ik dit alles ondergaan. Maar ik schaam mij niet, want ik weet in wie ik mijn vertrouwen heb gesteld en ben ervan overtuigd dat hij bij machte is om wat mij is toevertrouwd te bewaren, tot de grote dag aanbreekt.

2 Timoteüs 4:3. Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoet komen en hun naar de mond praten. 

Hebreeën 5:12. Werkelijk, u had toch inmiddels allemaal leraar moeten zijn! In plaats daarvan hebt u er zelf een nodig om u opnieuw de grondslagen van het woord van God bij te brengen; het is met u zover gekomen dat u weer aangewezen bent op melk in plaats van op vast voedsel. 

Jacobus 3:1. Broeders en zusters, u moet niet allemaal leraar willen zijn. U weet dat ons leraren een strenger oordeel te wachten staat. 
Toelichting: er staat in het Grieks eenmaal didakalos.

Episte leider

In het evangelie van Lucas komt zeven keer in zes verzen het woord ἐπιστάτης (epistatēs) Strong G1988. Hier staan ze.

Lucas 5:5. Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’

Lucas 8:24. Ze maakten hem wakker en riepen: ‘Meester, meester, we vergaan!’ Hij stond op en sprak de wind en de golven bestraffend toe. Daarop ging de wind liggen en kwam het water tot rust.

Lucas 8:45. Jezus vroeg: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Iedereen ontkende de aanraking en Petrus zei: ‘Meester, de mensen om u heen staan te duwen en te dringen!’

Lucas 9:33. Toen de mannen zich van hem wilden verwijderen, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn, laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia,’ maar hij wist niet wat hij zei.

Lucas 9:49. Daarop zei Johannes: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.’

Lucas 17:13. Ze verhieven hun stem en riepen: ‘Jezus, meester, heb medelijden met ons!’

Leerling, discipel, volgeling

Het Griekse woord kun je met volgelingen, discipelen en leerlingen vertalen. Je zou ook kunnen zeggen cursisten. Leden van een kring.

Ik zal in deze studie over het algemeen het woord leerling gebruiken. Je moet iets kiezen.

Het is een groep, die zich rond een leider schaart: Johannes de Doper of Jezus. Of een groep leiders, zoals leerlingen van de Farizeeën.

Leerlingen sluiten zich aan

Leerlingen sluiten zich aan. Maar ze vertrekken soms ook zomaar weer. Je tekent geen contract. Je hoeft geen scheidbrief te maken als je uit elkaar wilt.

Leerlingen leven samen met de meester

Een mooi beeld. Jezus, zijn leerlingen om zich heen dan de mensenmassa. De leerlingen als support aan de meester. Zoals een kerkenraad rond de predikant.
Matteüs 5:1. Toen hij de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen.

De prijs van leerling zijn, het bepaalt je agenda.
Matteüs 8:21. Een ander, een van zijn leerlingen, zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’ Maar Jezus zei tegen hem: ‘Volg mij en laat de doden hun doden begraven.’

De prijs van een leerling. Met Jezus komen ze in een storm op het meer.
Matteüs 8:23. Hij stapte in de boot en zijn leerlingen volgden hem. Plotseling begon het meer enorm te kolken, zodat de boot bijna door de golven werd verzwolgen. Maar Jezus sliep. Ze maakten hem wakker en riepen: ‘Heer, red ons toch, we vergaan!’ 

Het was normaal je als je de meester uitnodigt, dat de leerlingen daar dan ook bij zijn. De leerlingen zijn ook onderdeel van het gesprek.
Matteüs 9:10-11. Toen hij thuis aanlag voor de maaltijd, kwam er ook een groot aantal tollenaars en zondaars, die samen met hem en zijn leerlingen aan de maaltijd deelnamen. De farizeeën zagen dit en zeiden tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?’

Een leider van een synagoge kwam naar Jezus toe om genezing te vragen voor zijn dochter.
Matteüs 9:19. Jezus stond op en volgde hem met zijn leerlingen.

Jezus verzorgd samen met zijn leerlingen de spijziging van de menigte.
Matteüs 14:15. Bij het vallen van de avond kwamen de leerlingen naar hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen.’
Matteüs 14:19. En nadat hij de mensen opdracht had gegeven op het gras te gaan zitten, nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit en brak de broden; hij gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze door aan de mensen.

Nu gaan de leerlingen van Jezus meemaken, dat hij over het water van het meer loopt.
Matteüs 14:22. Meteen daarna gelastte hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant, hij zou ook komen nadat hij de mensen had weggestuurd.
Matteüs 14:26. Toen de leerlingen hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: ‘Een spook!’ en schreeuwden het uit van angst.

Toen een vrouw Jezus lastig viel met een vraag om genezing.
Matteüs 15:23. Maar hij keurde haar geen woord waardig. Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen.’

Jezus voed voor de tweede keer samen met zijn leerlingen de menigte.
Matteüs 15:32-33. Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei hij: ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en ze hebben niets meer te eten. En hen met een lege maag naar huis sturen wil ik niet, want dan zouden ze onderweg bezwijken.’ De leerlingen antwoordden: ‘Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?’
Matteüs 15:36. Toen nam hij de zeven broden en de vissen, sprak het dankgebed uit, brak de broden en deelde ze uit aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen.

De leerlingen hadden ook praktische taken zoals zorgen voor brood.
Matteüs 16:5. De leerlingen voeren naar de overkant, maar waren vergeten brood mee te nemen.

Als Jezus duidelijk gaat maken dat Hij veel moet lijden.
Matteüs 16:20-21. Daarop verbood hij de leerlingen ook maar tegen iemand te zeggen dat hij de messias was. Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt.
Matteüs 16:24. Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen.

Bij de verheerlijking op de berg.
Matteüs 17:6. Toen de leerlingen dit hoorden, wierpen ze zich neer en verborgen uit angst hun gezicht.
Matteüs 17:10. De leerlingen vroegen hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat Elia eerst moet komen?’
Matteüs 17:13. Toen begrepen de leerlingen dat hij op Johannes de Doper doelde.

Als moeders komen bij Jezus voor een zegen voor hun kinderen.
Matteüs 19:13. Daarop brachten de mensen kinderen bij hem, ze wilden dat hij hun de handen zou opleggen en zou bidden. Toen de leerlingen hen berispten,

Hier vertelt Jezus voor de tweede keer dat hij zal worden overgeleverd en ter dood veroordeelt zal worden.
Matteüs 20:17. Onderweg naar Jeruzalem nam Jezus de twaalf leerlingen apart. Hij zei tegen hen:

Hier zegt Jezus dat over twee dagen tijdens het Pascha de Zoon des mensen zal worden overgeleverd.
Matteüs 26:1. Toen Jezus deze laatste rede had uitgesproken, zei hij tegen zijn leerlingen.

Toen Jezus met kostbare zalfolie was gezalfd.
Matteüs 26:8. De leerlingen ergerden zich toen ze dit zagen en zeiden: ‘Wat een verspilling!

Met Jezus eten de leerlingen het pesachmaal.
Matteüs 26:20. Toen de avond was gevallen, lag hij samen met de twaalf aan voor de maaltijd.
Matteüs 26:26. Toen ze verder aten nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood en gaf de leerlingen ervan met de woorden: ‘Neem, eet, dit is mijn lichaam.’

Met Jezus in Getsemane.
Matteüs 26:35-36. Petrus zei: ‘Al zou ik met u moeten sterven, verloochenen zal ik u nooit.’ Alle andere leerlingen vielen hem daarin bij.
Vervolgens ging Jezus met zijn leerlingen naar een plek die Getsemane genoemd werd. Hij zei: ‘Blijven jullie hier zitten, ik ga daar bidden.’
Matteüs 26:40. Hij liep terug naar de leerlingen en zag dat ze lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Konden jullie niet eens één uur met mij waken?
Matteüs 26:45. Daarna voegde hij zich weer bij de leerlingen en zei: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? En dat terwijl het ogenblik nabij is waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan zondaars.
Matteüs 26:56. Maar dit alles gebeurt opdat de geschriften van de profeten in vervulling gaan.’ Daarop lieten alle leerlingen hem in de steek en vluchtten weg.

Leerlingen roepen ook inhoudelijke vragen op.

Matteüs 12:1-2. In die tijd liep Jezus op een sabbat door de korenvelden. Zijn leerlingen hadden honger en begonnen aren te plukken en ervan te eten. Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen hem: ‘Kijk, uw leerlingen doen iets dat op sabbat niet mag.’

Matteüs 13:10. De leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen: ‘Waarom spreekt u in gelijkenissen tot hen?’

Matteüs 13:36. Daarop stuurde hij de mensen weg en ging naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij hem en vroegen: ‘Wilt u ons de gelijkenis van het onkruid op de akker uitleggen?’

Matteüs 16:13. Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg hij zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’

Het antwoord van Jezus op deze vraag is: de grootste is, wie is als een kind.
Matteüs 18:1. Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’

Na het onderwijs van Jezus over het huwelijk komen de leerlingen met deze conclusie.
Matteüs 19:10. Hierop zeiden zijn leerlingen: ‘Als het met de verhouding tussen man en vrouw zo gesteld is, kun je maar beter niet trouwen.’

Nadat een rijke jonge man had gevraagd wat hij moest doen om het eeuwige leven te beërven.
Matteüs 19:23. Jezus wendde zich tot zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan. Ik zeg het jullie nog eens: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze hevig ontzet en vroegen: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’
Uitleg: hierna volgt een bemoediging door Jezus.

Op deze vraag over de verdorde vijgenboom is de les dat alles wat je in geloof vraag, dat je dat zult ontvangen.
Matteüs 21:20. Toen de leerlingen dat zagen, vroegen ze verbaasd: ‘Hoe kan het dat die vijgenboom zo plotseling verdorde?’

Eerst waren er strikvragen van de Farizeeën, daarna geeft Jezus onderwijs over de schriftgeleerden en Farizeeën.
Matteüs 23:1. Daarna richtte Jezus zich tot de menigte en tot zijn leerlingen.

Hier begint het met Jezus op dingen te wijzen, die de leerlingen opvielen.
Matteüs 24:1. Nadat Jezus de tempel had verlaten, wendden zijn leerlingen zich onderweg tot hem en vestigden zijn aandacht op de tempelgebouwen.
Matteüs 24:3. Op de Olijfberg ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen, en nu ze onder elkaar waren vroegen ze: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we uw komst en de voltooiing van deze wereld herkennen?’

Leerlingen worden aan het werk gezet.

Matteüs 9:37-10:1. Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. Daarop riep hij zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen.

Matteüs 11:1. Toen Jezus uitgesproken was en de twaalf leerlingen zijn opdrachten had gegeven, trok hij weer verder om in hun steden onderricht te geven en er het goede nieuws te verkondigen.

Als een man bevrijding vraagt bij de leerlingen.
Matteüs 17:16. Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.’
Matteüs 17:19. Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe. Eenmaal met hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’

Hier krijgen de leerlingen de opdracht om een ezelin te vinden en mee te brengen. Dat was voor de intocht in Jeruzalem.
Matteüs 21:1. Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfage op de Olijfberg kwamen, stuurde Jezus er twee leerlingen op uit.
Matteüs 21:6. De leerlingen gingen op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen.

De leerlingen zorgen voor de voorbereidingen van het pesachmaal.
Matteüs 26:17-19. Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’ Hij zei: ‘Ga naar de stad en zeg tegen de persoon die jullie bekend is: “De meester zegt: ‘Mijn tijd is nabij, bij jou wil ik met mijn leerlingen het pesachmaal gebruiken.’”’ De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en bereidden het pesachmaal.

Jozef van Arimetea kreeg op zijn hart om de gestorven Jezus in een graf te leggen.
Matteüs 27:57. Toen de avond gevallen was, arriveerde er een rijke man die uit Arimatea afkomstig was. Hij heette Josef en was ook een leerling van Jezus geworden.
Bijzonder: hij was een rijke man, die leerling van Jezus werd. Hij deed ook wat een rijke moest doen. Ondanks dat hij de weg van zijn meester niet begrepen zal hebben.

Hier verwachten de Farizeeën een actie van de leerlingen, die ze niet van plan waren.
Matteüs 27:64. Geeft u alstublieft bevel om het graf tot de derde dag te bewaken, anders komen zijn leerlingen hem heimelijk weghalen en zullen ze tegen het volk zeggen: “Hij is opgestaan uit de dood,” en die laatste leugen zal nog erger zijn dan de eerste.’

Dit is een opdracht van de engel aan de twee vrouwen, die zelf ook leerlingen waren.
Matteüs 28:7-10. En ga nu snel naar zijn leerlingen en zeg hun: “Hij is opgestaan uit de dood, en dit moeten jullie weten: hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien.” Dat is wat ik jullie te zeggen had.’ Ontzet en opgetogen verlieten ze haastig het graf om het aan zijn leerlingen te gaan vertellen. Op dat moment kwam Jezus hun tegemoet en groette hen. Ze liepen op hem toe, grepen zijn voeten vast en bewezen hem eer. Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien.’
Toelichting: in vers 9 is het woord leerling niet vertaalt door de NBV. In vers 10 worden de leerlingen door Jezus broeders genoemd.

En hier de leugen, die het Sanhedrin in de wereld probeerde te helpen.
Matteüs 28:13. …. en hun op te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ’s nachts gekomen en hebben hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.”

Hier worden de leerlingen wel actief, toen ze de opdracht van Jezus kregen.
Matteüs 28:16. De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg die Jezus hun had genoemd.
Matteüs 28:19. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest,

Waarheden over leerlingen

Matteüs 10:24-25. Een leerling staat niet boven zijn leermeester en een slaaf niet boven zijn heer. Een leerling moet er genoegen mee nemen te worden als zijn leermeester, en de slaaf als zijn heer. Als ze de heer des huizes al Beëlzebul genoemd hebben, waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten wel niet uitmaken?

De positie van leerlingen

Matteüs 10:42. En wie een van deze geringe mensen een beker koel water te drinken geeft alleen omdat het een leerling van mij is, ik verzeker jullie: die zal zeker beloond worden.’

Matteüs 12:49. Hij maakte een gebaar naar zijn leerlingen en zei: ‘Zij zijn mijn moeder en mijn broers.

De leerlingen onderwerp van gesprek

Matteüs 15:2. ‘Waarom overtreden uw leerlingen de tradities van onze voorouders? Ze wassen hun handen niet voor ze hun brood eten.’

Matteüs 15:12. Daarop kwamen de leerlingen bij hem en zeiden: ‘Weet u dat de farizeeën uw uitspraak gehoord hebben en dat ze die stuitend vinden?’

De leerlingen van Johannes de Doper

Matteüs 9:14. Daarop kwamen de leerlingen van Johannes bij hem en vroegen: ‘Waarom vasten wij en de farizeeën wel regelmatig, en uw leerlingen niet?’

Matteüs 11:2. Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de messias hoorde, stuurde hij enkele van zijn leerlingen naar hem toe.

Matteüs 14:12. Zijn leerlingen kwamen het lijk halen, begroeven het en gingen daarna naar Jezus om het hem te vertellen.

De leerlingen van de Farizeeën.

Matteüs 22:16. Ze stuurden enkele van hun leerlingen samen met een aantal herodianen naar hem toe, met de vraag: ‘Meester, wij weten dat u oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen, u kijkt immers niemand naar de ogen.

<<>>

Marcus 2:15
Op een keer was hij bij Levi thuis uitgenodigd voor een maaltijd, samen met zijn leerlingen en een groot aantal tollenaars en zondaars, want velen van hen volgden hem.

Lucas 6:40. Een leerling staat niet boven zijn leermeester; pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester.

Lucas 14:26-27. ‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn. Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn.

Lucas 14:33. Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn.

Johannes 9:28. Nu vielen ze tegen hem uit: ‘Je bent zelf een leerling van hem! Wij zijn leerlingen van Mozes.

Johannes 18:15. Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen.

Johannes 19:26-27. Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’
en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.

Johannes 19:38. Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea – die uit vrees voor de Joden in het geheim een leerling van Jezus was – aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee.

Johannes 20:2-4. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf.

Johannes 20:8. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde.

Johannes 21:7. De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op – meer had hij niet aan – en sprong in het water.

Johannes 21:20. Toen Petrus zich omdraaide zag hij dat de leerling van wie Jezus hield hen volgde – de leerling die zich tijdens de maaltijd naar Jezus toegebogen had om te vragen wie het was die hem zou verraden.

Johannes 21:23-24. Op grond van deze uitspraak hebben sommige broeders en zusters gedacht dat deze leerling niet zou sterven, maar Jezus had niet gezegd: ‘Hij zal niet sterven,’ maar: ‘Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat ik kom.’ Het is deze leerling die over dit alles getuigenis aflegt, en het ook heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is.

Handelingen 9:10. In Damascus woonde een leerling die Ananias heette. In een visioen zei de Heer tegen hem: ‘Ananias!’ Hij antwoordde: ‘Ik luister, Heer.’

Handelingen 9:26. Toen hij terug was in Jeruzalem wilde hij zich aansluiten bij de leerlingen, maar die waren bang voor hem omdat ze niet geloofden dat ook hij een leerling was geworden.

Handelingen 16:1. Hij kwam ook in Derbe en Lystra. In Lystra ontmoette hij een leerling die Timoteüs heette, de zoon van een gelovig geworden Joodse vrouw en een niet-Joodse vader.

Handelingen 21:16. Enkele leerlingen uit Caesarea gingen met ons mee. Ze brachten ons naar Mnason, een Cyprioot die al vanaf het begin bij de leerlingen hoorde en bij wie we zouden verblijven.

Handelingen 1:15. In die dagen stond Petrus op te midden van de leerlingen – er was een groep van ongeveer honderdtwintig mensen bijeen – en zei:

Handelingen 2:6. Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken.

Handelingen 2:41. Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend.

Handelingen 4:23-24. Nadat Petrus en Johannes waren vrijgelaten, gingen ze naar de leerlingen en vertelden wat de hogepriesters en de oudsten hadden gezegd. Toen de leerlingen dat hoorden, riepen ze God eensgezind aan met de woorden: ‘Heer, u hebt de hemel en de aarde en de zee geschapen en alles wat daar leeft,

Handelingen 6:1-2. Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Arameessprekenden verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld. Daarop riepen de twaalf apostelen de voltallige gemeenschap van leerlingen bijeen en zeiden: ‘Het is niet goed dat wij de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden, want daardoor verwaarlozen we de verkondiging van Gods woord.

Handelingen 6:5. Alle leerlingen stemden met dit voorstel in. Ze kozen Stefanus, een diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest, en verder ook Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië.

Handelingen 6:7. Het woord van God vond steeds meer gehoor, zodat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk groeide; ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof.

Handelingen 9:1. Intussen bedreigde Saulus de leerlingen van de Heer nog steeds met de dood. Hij ging naar de hogepriester

Handelingen 9:19. en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op krachten. Hij bleef enkele dagen bij de leerlingen in Damascus

Handelingen 9:25-26. Maar Saulus’ leerlingen brachten hem ’s nachts naar de stadsmuur en lieten hem daar in een mand naar beneden zakken.
Toen hij terug was in Jeruzalem wilde hij zich aansluiten bij de leerlingen, maar die waren bang voor hem omdat ze niet geloofden dat ook hij een leerling was geworden.

Handelingen 9:38. Omdat Lydda dicht bij Joppe ligt, stuurden de leerlingen, die gehoord hadden dat Petrus daar was, twee mannen naar hem toe met het dringende verzoek om direct bij hen te komen.

Handelingen 11:19. De leerlingen die verdreven waren als gevolg van de onderdrukking die na de dood van Stefanus was begonnen, trokken naar Fenicië, Cyprus en Antiochië, maar verkondigden Gods boodschap uitsluitend aan de Joden.

Handelingen 11:26. en toen hij hem gevonden had, nam hij hem mee naar Antiochië. Een heel jaar lang kwamen ze met de gemeente daar bijeen en gaven ze onderricht aan tal van mensen. Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd.

Handelingen 11:29. De leerlingen besloten dat de broeders en zusters in Judea ondersteund moesten worden. Ze droegen elk naar vermogen bij

Handelingen 13:52. De achterblijvende leerlingen waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest.

Handelingen 14:20-22. Maar toen de leerlingen om hem heen waren gaan staan, kwam hij overeind en ging de stad weer in. De volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. In Derbe verkondigden Paulus en Barnabas het evangelie en ze maakten er veel leerlingen. Daarna keerden ze terug naar Lystra en vervolgens naar Ikonium en Antiochië. Ze bemoedigden de leerlingen en spoorden hen aan te volharden in het geloof, maar wezen hun erop ‘dat wij pas na veel beproevingen het koninkrijk van God binnen kunnen gaan’.
Handelingen 14:28. Ze bleven nog geruime tijd bij de leerlingen.

Handelingen 15:1-2. Er kwamen enkele leerlingen uit Judea, die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd. Besloten werd dat Paulus en Barnabas, samen met enkele andere leerlingen, naar Jeruzalem zouden gaan om deze kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten.

Handelingen 15:10. Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen een juk te leggen dat onze voorouders noch wijzelf konden dragen?

Handelingen 15:36. Niet lang daarna zei Paulus tegen Barnabas: ‘Laten we teruggaan naar alle steden waar we het woord van de Heer hebben verkondigd, om te zien hoe het daar met de leerlingen gaat.’

Handelingen 16:5. De gemeenten werden steeds sterker in het geloof en het aantal leerlingen nam dagelijks toe.

Handelingen 17:6. … maar toen ze hen daar niet aantroffen, sleepten ze Jason en enkele andere leerlingen mee naar de stadsprefecten, tegen wie ze schreeuwden: ‘De mensen die in het hele rijk de orde verstoren, zijn nu ook hier gekomen,

Handelingen 17:10. Nog diezelfde nacht stuurden de leerlingen Paulus en Silas naar Berea. Toen ze daar waren aangekomen, gingen ze naar de synagoge.

Handelingen 17:14. De leerlingen stuurden Paulus toen onmiddellijk weg, naar de kust, maar Silas en Timoteüs bleven in Berea.

Handelingen 18:18. Nadat Paulus nog geruime tijd bij de leerlingen had doorgebracht, nam hij afscheid en vertrok per schip naar Syrië, samen met Priscilla en Aquila. Voor zijn vertrek had hij in Kenchreeën zijn hoofd laten kaalscheren, omdat hij aan een gelofte gebonden was.

Handelingen 18:23. Toen Paulus enige tijd in Antiochië had doorgebracht, vertrok hij voor een rondreis door Galatië en Frygië, waar hij alle leerlingen moed insprak.

Handelingen 18:27. Toen hij naar Achaje wilde afreizen, moedigden de leerlingen hem aan en gaven hem een brief mee voor de gemeenteleden met het verzoek hem gastvrij te ontvangen. Na zijn aankomst bleek hij door Gods genade een grote steun te zijn voor de gelovigen,

Handelingen 19:1. Terwijl Apollos in Korinte verbleef, kwam Paulus na zijn reis door het binnenland in Efeze aan. Hij ontmoette daar enkele leerlingen,

Handelingen 19:9. Maar toen sommigen zijn boodschap halsstarrig bleven afwijzen en de Weg bij iedereen belachelijk maakten, vertrok hij en nam de leerlingen met zich mee. Voortaan sprak hij dagelijks in de school van Tyrannus,

Handelingen 19:30. Paulus wilde zich onder de menigte begeven, maar de leerlingen weerhielden hem daarvan.

Handelingen 20:1. Toen het tumult bedaard was, riep Paulus de leerlingen bij zich om hun moed in te spreken. Daarna nam hij afscheid en vertrok naar Macedonië.

Handelingen 20:7. Op de eerste dag van de week kwamen we bijeen voor het breken van het brood. Paulus, die van plan was om de volgende dag verder te reizen, hield een toespraak voor de leerlingen die tot midden in de nacht duurde.

Handelingen 20:11-12. Hij ging weer naar boven, brak het brood en at. Daarna onderhield hij zich nog lange tijd met de leerlingen, tot het aanbreken van de ochtend. Toen vertrok hij. De leerlingen namen de jongeman, die weer tot leven was gekomen, met zich mee en voelden zich gesterkt door wat er was gebeurd.

Handelingen 20:30. Uit uw eigen kring zullen mensen voortkomen die de waarheid verdraaien om de leerlingen voor zich te winnen.

Handelingen 21:4-6. We gingen op zoek naar de leerlingen en bleven een week bij hen. Geïnspireerd door de Geest zeiden ze tegen Paulus dat hij niet moest doorreizen naar Jeruzalem. Maar toen ons oponthoud ten einde liep, vertrokken we weer, uitgeleide gedaan door alle leerlingen met hun vrouwen en kinderen. We gingen de stad uit en knielden samen neer op het strand om te bidden. Toen namen we afscheid van elkaar. Wij gingen aan boord van het schip en de leerlingen keerden terug naar huis.

Handelingen 21:16. Enkele leerlingen uit Caesarea gingen met ons mee. Ze brachten ons naar Mnason, een Cyprioot die al vanaf het begin bij de leerlingen hoorde en bij wie we zouden verblijven.

Handelingen 28:14-15. Daar troffen we leerlingen aan, die ons uitnodigden om een week bij hen te blijven. Vervolgens gingen we op weg naar Rome. De leerlingen, die van onze komst hadden gehoord, kwamen ons vanuit Rome tegemoet tot Forum Appii en Tres Tabernae, en toen Paulus hen zag dankte hij God en vatte moed.

We willen weer opnieuw van Jezus leren. Hij gaf lessen voor een goed leven.